TUSSEN WATER EN WIND

spookschepen

Zeelui hebben heel lang geloofd dat schepen een ziel hadden. Verging dat schip, dan bleef die ziel tot in de eeuwigheid der dagen ronddolen. Zo werd de fantasie van zeelui wel eens geprikkeld door vreemde geluiden of door spookachtige vormen in de mist.

 

                                              Het verhaal van Jan Jacobson

 

Lang geleden, ten tijde dat de Spanjaarden heer en meester waren in onze contreien, woonde in Oostende een zekere Jan Jacobsen. Hij was kapitein van een driemaster, een berucht piratenschip. Zijn mannen waren niet de eerste de beste en hun reputatie was navenant. Maar op een dag werden ze aangevallen door een vloot van zeven Turkse schepen.

De bemanning vocht als de leeuwen, maar met één schip tegen zeven schepen, maakten ze niet de minste kans. De bemanning raakte gekwetst, en het bloed stoomde over het dek. Maar ze bleven vechten.

De Turken hadden geen medelijden en begonnen dan ook het schip aan te pakken. Met hun sabels scheurden ze de zeilen, sneden ze de touwen door en met bijlen sloegen ze gaten in de kiel. Maar nog steeds gaf de bemanning het niet op, ze vochten voor hun leven en vochten voor hun schip. Behalve één man… de kapitein. Die was niet zo dapper! Want wanneer hij zag dat de nederlaag nakend was en ze één voor één zouden afgemaakt worden en het schip zou zinken, sprong hij met een wanhopige kreet in zee, zonder nog naar de anderen om te kijken. Daarmee negeerde hij de ongeschreven, maar dwingende wet dat een kapitein pas als laatste het zinkende schip mag verlaten. En dat heeft hij moeten bekopen…

Als de strijd gestreden was, de mannen gedood en in zee gegooid en de Turken vertrokken, klom kapitein Jan Jacobson, die op dat ogenblik al uren in het ijskoude water ronddobberde, klappertandend terug aan boord. Hij had dan misschien zijn hele bemanning verloren, hij had tenminste nog zijn schip, dat tegen alle verwachtingen in, toch niet zonk.

Toen hij echter naar de haven wilde terugvaren, merkte hij dat dat niet lukte. Dat schip vaarde zijn eigen koers, telkens opnieuw van de haven weg, het zeegat uit. En nooit is hij erin geslaagd om weer thuis te geraken.Zo vaart kapitein Jan Jacobsen al eeuwen rond en zal hij nóg eeuwen moeten rondvaren. Zonder doel, zonder hoop, zonder thuishaven.

Spookschepen aan onze kust

 

Een spookschip aan onze kust droeg de naam Osschaert. Het verhaal ging dat het een vervloekt schip was omdat de kapitein het in brand gestoken had met het doel de grote lading goud voor zichzelf te houden. Als straf moest hij ten eeuwigen dage met zijn vlammend schip op zee blijven zwalpen. Van tijd tot tijd verscheen dat schip voor de haven van Oostende, van waar het afkomstig was. In andere verhalen zou het op de grote feestdagen van het jaar te zien zijn in de duinen, waar het door de lucht vaart.

In Heist was er de Concordia. De schipper zou zijn ziel aan de duivel hebben verkocht. Dat schip was naar het schijnt met rode duivels bemand, maar volgens meer gematigde vertellers droegen de bemanningsleden gewoon rode mutsen. In Knokke werd opgetekend dat men wel eens op Kerstnacht, om twaalf uur, de Concordia op het strand heeft zien varen.

In Nieuwpoort-bad werd meerdere keren een vliegend wrak gezien, waarop velen er naartoe renden in de hoop er nog iets van waarde in te vinden was.

En de Walvis, een kaperschip dat eeuwen geleden strandde tussen Oostduinkerke en Koksijde, werd ter hoogte van de Doornpanne gezien. Af en toe veranderde dat duin in de gedaante van een schip. Het vaartuig zette koers naar het zuiden om ’s avonds weer zijn plaats terug in te nemen.

Wenduinenaren hadden dan weer vanop de duinen een aantal keren een vurig schip met de schim van Jan Bart gezien, de befaamde Duinkerkse kaper.  

                                   

                                          Storm of geen storm, we vertrekken…          

Het was in het jaar 1676. Met Pasen. Een zwaarbeladen schip van de Oost-Indische Compagnie lag al dagen te wachten om uit te varen, maar de weergoden zaten niet mee. De storm ging als een razende te keer.

De kapitein stond op de voorplecht en vloekte en brieste dat hij wilde vertrekken. De bemanning die normaal gezien als één man achter de kapitein stond en zijn bevelen zonder morren uitvoerde, had nu echter wel bedenkingen. Uitvaren? In dát weer? Wat haalde de kapitein zich nu in zijn hoofd? Hij had hen altijd door de hachelijkste avonturen weer thuisgebracht en ze voelden zich veilig onder zijn leiding, maar was dat nu niet al te gort?

Terwijl de storm bleef razen, kwam de kapitein van de voorplecht en begaf zich tussendeks waar hij op luidde toon beval: ‘Weer of geen weer, morgenochtend varen we uit!’

De matrozen knikten gedwee, er zat niets anders op dan zijn bevel op te volgen, maar toen de stuurman zei dat het geen werk was om met Pasen uit te varen, begonnen ook zij bezwaren te maken.

‘Niks mee te maken!’ brieste de kapitein. ‘Pasen of geen Pasen, storm of geen storm, maar we varen uit wanneer ik het zeg!’

De volgende ochtend joeg de storm nog heviger, maar de stem van de kapitein schalde over het dek: ‘Zeilen heisen! Ankers lichten! We vertrekken!’

De stuurman waagde nog een voorzichtig protest. ‘Kapitein, op Pasen uitvaren, dat komt niet goed…’

De kapitein keek hem aan met vlammende ogen: ‘Ik ben hier de baas en ik zeg dat we het anker lichten. Storm of geen storm, Pasen of geen Pasen!’

De stuurman zuchtte, maar de matrozen vlogen de touwen in. Hun kapitein was een moedig man en als hij het verantwoord vond om uit te varen, dan was het best. Had hij hen niet altijd al over de wildste zeeën en langs de gevaarlijkste kapen gevoerd?

Ze hesen dus de zeilen en hun kreten mengden zich met het geraas van de storm. Maar dan weerklonk ook het feestelijke gebeier van de Paasklokken. Opnieuw probeerde de stuurman de kapitein te overhalen om te wachten met varen. ‘Ach, zwijg toch!’ repliceerde die. ‘We zijn weg! En al zou ik tot in de eeuwigheid moeten doorvaren, we gáán!’

De zeilen klapperden al in de wind, de ankers werden opgehaald, maar nog voor het schip zich in beweging zette, gebeurde iets heel vreemd. De kapitein kreeg een starre uitdrukking in zijn ogen en het was alsof alle leven uit hem geweken was. En niemand bewoog nog op het schip. De matrozen leken aan het dek genageld, de kok stond roerloos in de kombuis en de scheepsjongens die in het want waren gekropen, hingen als levenloze poppen in de touwen.

Maar hoewel niemand nog iets deed, kwam het schip in beweging  en voer langzaam de haven uit.

Op de kade had heel wat volk zich verzameld en met stomme verbazing keken ze naar die Oost-Indiëvaarder. Nooit hadden ze zoiets gezien… de zeilen bolden tegen de wind in, het schip vaarde moeiteloos tegen de razende wind in.

De Paasklokken beierden en iedereen herhaalde binnensmonds de woorden die de kapitein had gesproken: ‘Al zou ik tot in de eeuwigheid moeten doorvaren, we gáán.’   

Het schip is nooit aangekomen. Het legde in geen enkele haven in Oost-Indië aan en het keerde ook niet terug naar de thuishaven. Zo nam men aan dat het schip met man en muis vergaan was.

Maar vele jaren later gebeurde iets merkwaardigs. Op een dag keerde een ander schip van de Oost-Indische Compagnie terug naar huis. Het rondde de kaap de Goede Hoop en dan ineens zagen ze een schip vanuit de golven opduiken. Maar dat was geen gewoon schip! De zeilen waren bloedrood en stonden bol tegen de wind in. De romp en de masten waren zwartgeblakerd, maar nog het vreemdst van al was het doodstille voor- en achterdek. Er zat niemand in het kraaiennest, er klommen geen matrozen in het want en op de brug stond geen kapitein.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

‘Een spookschip!’ riepen ze, maar ineens was dat schip verdwenen.

Ze bleven staren, met open mond. Ze hadden het toch met hun eigen ogen gezien, een schip dat met vuurrode, gebolde zeilen tegen de wind in voer?

Het bleef niet bij die ene keer. Steeds vaker kwamen berichten dat er zo’n schip was gezien in de omgeving van Kaap de Goede Hoop.

En een keer gebeurde het volgende…

Een schoener kreeg het spookschip in de gaten. De matrozen raakten in paniek, maar de kapitein hield het hoofd koel en zei dat het niet meer dan een zinsbegoocheling kon zijn. Daarop wendde het spookschip zijn boeg naar de schoener en stevende er met een ongelooflijke snelheid op af. De bemanning vreesde voor het ergste. Ze werden overvaren, dat leed geen twijfel en ze zouden met man en muis vergaan. Het schip kwam nader, op de voorplecht zagen ze de kapitein staan, roerloos, met zijn witte haren wapperend in de wind. ‘Stop dan!’ riepen ze, maar het spookschip minderde geen vaart en voer dwars door de schoener heen. Geen schok of trilling werd aan boord van de schoener gevoeld, alleen een ijskoude windvlaag.

‘Het was een Hollander’, mompelde de kapitein. ‘Hij voerde de Hollandse vlag!’

‘De Vliegende Hollander’, zei een matroos. En die naam ging van mond tot mond. En thuisgekomen, vertelden ze aan ieder die het wilde horen. Ze hadden de Vliegende Hollander gezien… Het schip van de kapitein die ooit had gezegd: ‘Al moet ik tot het einde der tijden varen…’

Luchtspiegeling

Kaap de Goede Hoop staat bekend als een gevaarlijk punt omdat er twee sterke stromingen elkaar daar kunnen kruisen. Ook is er een sterke afwisseling tussen wind en luwte, of kunnen twee winden elkaar passeren in tegenovergestelde richting, waardoor het kan gebeuren dat één schip nauwelijks vooruitgaat en een schip in de buurt moeiteloos een hoge snelheid haalt.   

Bovendien schept het klimaat daar een vrij grote kans op luchtspiegelingen. Op snikhete dagen, wanneer de lucht net boven de zee iets kouder is dan de lucht erboven, kan er een luchtspiegeling ontstaan waardoor het lijkt dat een schip lijkt te zweven boven de horizon.

Zo gebeurde wel eens dat men dacht een spookschip te zien: een schip dat tegen de wind in zeilde, een hoge snelheid haalde ondanks de windstilte, een schip dat zo ijl was als nevel en een ander schip kon overvaren zonder dat er iets van schade was, een schip dat plotseling opdoemde en verdween…

Echte spookschepen in onze Noordzee

Van een aantal schepen die op een vreemde manier zijn vergaan en waar nooit nog iets van is teruggevonden, deden in de Noordzee en het Kanaal ook een aantal spookverhalen de ronde.

In maart 1878 kapseisde het marineschip Eurydice in Sandown Beach op het eiland Wight. Van de 366 zeelieden overleefden er maar twee de ramp. Wellicht was een blizzard, een plots opkomende, verblindende sneeuwstorm, de oorzaak geweest.

Kort na de ramp kwamen de eerste meldingen over een driemaster die uit het niets verscheen en even snel weer verdween. De vreemde weerspiegelingen van lichtjes in de mist werden verklaard als de zielen van de verdoemde zeelieden die ronddwaalden. En vele jaren later moest een onderzeeboot volop achteruitslaan om een aanvaring te vermijden met een oud zeilschip dat ineens oploste in het niets. Als de kapitein, F.Lipscomb, aangifte deed van het voorval, kreeg hij van de plaatselijke autoriteiten te horen dat hij waarschijnlijk de Eurydice had ontmoet…

 

Over de Goodwin Sands, een zandbank, voor de zuidoostkust van Kent vertellen oude vissers dat het er spookt. Een vaak terugkerend fenomeen is de verschijning van de driemastschoener Lady Lovibond die daar in de stormnacht van 13 februari 1748 met man en muis verging. De kapitein van het schip was Simon Reed. Kort voordien was hij getrouwd en had zijn jonge bruid aan boord, wat voor bijgelovige zielen de oorzaak was van de ramp. Volgens een ander verhaal had de pasgetrouwde kapitein vijftig gasten voor zijn bruiloftsmaal aan boord. De stuurman die verliefd was op de kersverse vrouw van de kapitein, liet het schip op de Goodwin Sands lopen, waardoor het zonk en iedereen verdronk.

Hoe dan ook, het schip zou twee maal per eeuw aan de oppervlakte verschijnen. De illusie was een keer zo sterk dat ook de reddingsdienst van Ramsgate er zich aan liet vangen en naar de plaats van het onheil uitrukte. Maar als ze dichterbij kwamen, verdween het schip.

 

Op diezelfde Goodwin Sands ligt ook nog de Violet, een stoomschip van de Royal and Imperial Mail Steam Packet Compagny. Op de avond van 5 januari 1857 stormde het behoorlijk en volgens de weerberichten zou het alleen nog maar verergeren. Desondanks had de kapitein orders gekregen om de post op tijd in Dover te krijgen. Het schip koos zee en kwam terecht in een vreselijke storm. Die nacht vergingen niet minder dan veertig schepen in de Noordzee, waaronder de Violet. In 1907 werd in die buurt melding gedaan van een ghostly mailsteamer en 50 jaar later gebeurde dit nog een keer. Zo kreeg ook de Violet het statuut van spookschip.

Vissers over spookschepen

 

‘Dat waren dingen dat ze zagen als ’t mistig was, den helft daarvan was inbeelding zegt Alfons Desomer.

 

Volgens Robert Coulier was dat een schip dat buiten de schreve viste, binnen de driemijlszone dus, waar het niet mocht. ‘Dat was om veel vis te vangen. Je doofde dan de lichten van ’t schip en pas als je weer buiten vaarde, stak je ze weer aan. Vroeger kon dat, want er bestond nog geen radar en de controle kon je schip minder gemakkelijk opsporen.’   

 

En volgens Theophiel Groote was een spookschip een schip met veel tegenslag, waarmee niet veel geld te verdienen viel.

 

 

                                                 Het schip met de zwarte zeilen

 

Na een lange tocht komt de jongeman in een haven. Hij slentert er wat rond, ziet een schip liggen. Een wat vreemd schip, met pikzwarte zeilen. Hij voelt dat hij dat schip op moet stappen. Waarom weet hij niet, maar hij gehoorzaamt een stem die hem met zachte dwang daarheen leidt.  

Van zodra hij aan boord is, worden de zeilen gehesen en vaart het schip uit.

De kapitein komt op hem toe en wijst hem een kajuit aan. Blij dat hij na die zware en lange tocht wat uit zal kunnen rusten, duwt hij de deur open. Maar dan beseft hij dat er van rusten weinig in huis al komen, want hij heeft gezelschap: er zitten twee mannen te dobbelen.

De ene man is in het zwart gekleed en de andere in het wit. Beurtelings spreken ze hem aan en al snel begrijpt hij hoe de vork in de steel zit.

De in het zwart geklede man raadt hem aan om gewoon te vergeten wat er gebeurd is en te genieten van wat de wereld hem nog te bieden heeft.

De man in het wit herinnert er hem nog eens aan dat hij iets vreselijks heeft gedaan en daarvoor boete moet doen.  

De jongeman kijkt van de een naar de ander. Hij weet echter niet voor wie hij moet kiezen. Voor wat hij moet of mag kiezen.

Ondertussen dobbelen de twee mannen verder. De jongeman begrijpt dat ze dobbelen om zijn ziel. En dat ze dat zullen doen tot het schip vergaat.

Maar dat schip is een spookschip en spookschepen vergaan nooit. Het zal varen tot in de eeuwigheid. En ze zullen dobbelen om zijn ziel, tot in de eeuwigheid.

 

                                                                                       De Almacht                 

Hoe groot dat schip wel was, weet niemand te zeggen. Dat kan ook niet, omdat het eenvoudig niet te meten was. Elk schip maakte zich zo snel mogelijk uit de voeten wanneer dat schip in de buurt kwam.

Dat schip was zo groot dat de kapitein op een paard heen en weer op het dek reedt. De matrozen die als jonge kerels in de touwen klommen, kwamen bejaard weer beneden. Als er soep gekookt werd, dan moest men met een roeiboot in de pot neerlaten om te roeren.    

Op een keer had de kapitein het in zijn hoofd gehaald om naar de Noordzee te varen en hij koos de weg door het Kanaal. Zeer onverstandig, want hij had kunnen weten dat het te nauw voor zijn schip was. Hij had om Engeland en Schotland om moeten varen. Maar hij zette dus koers naar het Kanaal. En natuurlijk liep het vast! Het schuurde langs de Franse kust en het bleef steken tegen de Engelse kust.

‘Alle zeilen bij!’ commandeerde de kapitein en de stuurman rende met zijn paard over het dek en gaf opdracht om alle zeilen bij te zetten. Maar wat helpen honderden zeilen en een flinke wind als het schip tussen twee landen zit gekneld?

‘Zeep!’ brulde nu de kapitein.

Weer liet de stuurman zijn paard hollen en gaf de bemanning nu opdracht om de buitenwanden van het schip met zeep in te smeren. Witte zeep. Het moet Spaanse zeep zijn geweest want het schip kwam uit de Spaanse zee. De kapitein had wellicht geweten wat hij ging ondernemen en had voor alle zekerheid tonnen en tonnen zeep ingeslagen.

Het hele schip aan de buitenkant werd ingesmeerd met de zeep en toen ze daarmee klaar waren en de wind nog wat aanwakkerde schoof het schip knarsend het Kanaal door. De zee begon geweldig te schuimen en schuurde de kliffen blank.

Je zou het niet zo geloven, maar het is te bewijzen…

Hoe komen de kliffenkust van Dover en Cap Blanc Nez anders aan die hagelwitte kleur?

Aan het Nauw van Calais bevinden zich langs beide zijden van het Kanaal witte krijtkusten. Aan de Engelse zijde de White Cliffs of Dover en aan de Franse zijde Cap-Blanc-Nez. Dat krijt werd gevormd in de tijd dat dat gebied vroeger nog zee was. Er leefde een een bepaald soort plankton, coccolieten, bedekt met kleine ronde kalkplaatjes. Wanneer dat plankton sterft, blijven die kalkplaatjes intact en zakken naar de zeebodem. Tijdens het krijttijdperk werden zo dikke krijtlagen gevormd. De rotsen van Cap-Gris-Nez, iets verderop, zijn grijzer, want ze bevatten naast krijt ook zandsteen en mergel.

Piratenschepen

 

Niet zelden werden spookschepen in verband gebracht met piratenschepen. Zoals in het verhaal de piratenkapitein Jan Jacobsen…

De Vliegende Hollander

 

Zonder twijfel is dit het meest bekende verhaal over een spookschip. ‘De Vliegende Hollander’ was een van die grote driemasters van de Nederlandse Oost-Indische Compagnie die specerijen als nootmuskaat en foelie, kruidnagel en kaneel uit Oost-Indië, en katoen, zijde, olifanten en opium, en koffie uit Arabië, thee uit China aanvoerde.

Tot in der eeuwigheid

 

In vele verhalen over spookschepen is straf een belangrijk thema. In sommige gevallen kan op een of andere manier die straf toch worden afgelost. Maar wanneer de term ‘tot in de eeuwigheid’ valt, dan wordt dit een moeilijke zaak. Zoals in onderstaand verhaal waarin een jongeman die zijn broer vermoordde omwille van een meisje, verplicht wordt om een lange reis te maken. Zonder te weten waarheen hij moet, gaat hij op pad…

Het schip van Ternuten

 

Van een heel ander allooi is het verhaal van dat immens grote schip van Ternuten, ook wel ‘De Almacht’ genoemd.