TUSSEN WATER EN WIND

duivelsputten

De geschiedenis van onze kust is er één van een voortdurend gevecht tussen land en zee. De zee gaf land vrij, maar nam terug. Ze trok weg om later weer terug te vloeien over akkers, weiden en zelfs huizen en hele dorpen. De goden van de zee en de geesten van de zee bevochten het meesterschap over eb en vloed, maar de mens liet zich niet doen en wilde zoals altijd winnen, ook op de zee.

 

De eerste dijken

 

Zo’n tienduizend jaar geleden was er nog geen sprake van de Noordzee. Het water lag opgeslagen in ijs en gletsjers en je kon probleemloos te voet de oversteek van hier naar Engeland maken. Maar wanneer na de IJstijd de temperatuur steeg, smolt het ijs en liep de engte tussen Engeland en het continent vol water. Aan onze kust vormde zich een strand- en duinenlandschap met grote, vertakte zeegeulen die de kustvlakte binnenstroomden. Het was er eenzaam toeven en alleen de watervogels hadden het er goed.

Tegen het begin van onze tijdrekening daalde het waterpeil en achter de duinenrij kwamen mensen wonen. Ze leefden van visvangst en deden aan zoutwinning. Een paar eeuwen later kwam het water weer op en verdreef ze, maar van zodra het water even terugtrok, kwamen ze terug, want de slikken en schorren waren mooi grasland voor hun schapen. Op de hoger gelegen stukken grond legden ze terpen aan, waar ze hun schapen op konden drijven wanneer ze niet tijdig terug waren bij hoog tij. Op sommige van die terpen werden hutten en schapenstallen gebouwd. Soms groeiden die plekken uit tot woonkernen en zelfs dorpen.

Er kwam steeds meer bewoning, maar omdat er toch steeds die dreiging was van de zee, werden dijken aangelegd. De monniken van de abdij van Ter Doest en de abdij van Ter Duinen lieten zich hierbij niet onbetuigd, want ze hadden er alle belang bij omdat veel van dat land in hun handen was.

Aanvankelijk waren die dijken niet meer dan aarden wallen, maar met stormvloed hielden ze toch het water tegen.

 

 

‘Eten als een diekedelver’ en andere spreekwoorden

 

Het aanleggen van die dijken, het delven van de grond, was zeer zwaar werk en dat vinden we in verschillende speekwoorden aan onze kust terug.

‘Eten als een diekedêlver’ : iemand die grote hoeveelheden voedsel naar binnen kan werken.

 

Den ainn moed eetn lik a diekedêlver, den anderain vét méd e druppel woater’ : de één veel kan eten zonder te verdikken en de ander verdikt als hij een glas water drinkt.

 

Under vrieoazje go wé teegn de diek loopm’ : hun verloving loopt tegen de dijk, wat wil zeggen dat het binnen de kortste keren uit zal zijn.

 

Oede koeien út de diek dêlvn’ : oude koeien uit de dijk of uit de gracht halen.

 

Maar er zijn niet alleen spreekwoorden over dijken, er zijn ook de verhalen. En niet zelden komt er een duivel aan te pas. Of een duivelshond, zoals in Damme…

De eerste dijk was de Evendijk die liep van waar nu Bredene ligt tot aan het huidige Blankenberge. Binnen die dijk ontstonden de eerste woonkernen: Meetkerke, Houthave, Stalhille, Vlissegem, Klemskerke, Bredene, Nieuwmunster, Wenduine en Zuienkerke.

Zo’n 250 meter dichter naar zee toe werd nog een tweede dijk aangelegd, de Zeedijk, waarachter kleine woonkernen ontstonden: Koudekerke ten noorden van het huidige Heist,  Scarphout ten noorden van het huidige Blankenberge, Mosselinge voor Wenduine en Tarninge daar ergens tussenin.

Meer naar het oosten op werd een vervolg op de Evendijk gebouwd en achter die dijk werden onder andere Scharpoord, Sluis, Mude en Lammensvliet, dat later Sint-Anna-ter-Muiden werd genoemd.  

Ook loodrecht op de zee werden dijken gebouwd: de Gentele liep van Blankenberge naar Brugge en de Zydelinge verbond Bredene met Oudenburg.   

In de vijftiende eeuw kwam er een dijk aan de hele kust, een grote, stevige dijk, de Graaf Jansdijk. Die was 150 km lang en strekte zich uit van Grevelingen, Gravelines, tot Sas-van-Gent.

                                                De duivelshond van Damme

 

Het gebeurde zo’n 800 jaar terug, in de Zwingeul die Brugge verbond met de zee, op de plek waar later Damme werd gebouwd.

In die tijd stonden daar niet meer dan enkele schamele vissershuisjes. Gezellig wonen was het er niet, want af en toe spoelde de zee weer eens met geweld over de weiden en de landerijen. Er moest dus een stevige dijk worden gebouwd en daarom werden uit Holland en Friesland dijkwerkers aangetrokken.

Het was een hele klus, maar er waren honderden dijkendelvers aan de slag en het werk vlotte snel. Wanneer de werken bijna klaar waren, kregen ze wel een probleem. Er was een stuk dijk die telkens weer openbrak. En wat ze ook deden om de bres te dichten, het mocht niet baten. Alles wat ze overdag hadden verwezenlijkt, stond de volgende ochtend alweer onder water. De dijkmeesters liepen radeloos heen en weer en wisten niet wat te beginnen.

Waren hier vreemde krachten in het spel? Was dit het werk van de duivel? Zoiets hadden ze nog nooit meegemaakt.

Tot grote ergernis van de dijkenbouwers liep er voortdurend een zwarte hond rond. Hij sloop langs de dijkwerkers en toonde grommend zijn scherpe tanden aan iedere man die hem wilde wegjagen. Hij draaide rond de dijkmeesters heen en af en toe liet hij een akelig geblaf, of zeg maar liever gehuil, horen. ’s Nachts sloop het beest rond de keet waar ze sliepen en kermde voortdurend iedereen wakker. Niemand durfde maar iets te doen, want er werd gefluisterd dat die hond misschien wel de duivel was.

Dat duurde zo’n drie dagen en nachten.

Op de ochtend van de vierde dag kreeg de opzichter er echt wel genoeg van en met een schop sloeg hij de hond op de kop en gooide het kadaver in de bres. En vanaf toen hield de dam stand. Het water zakte niet meer weg en de dijkwerkers konden hun werk voltooien.

 

Achter de veilige dijk, op het droge land, werden huizen gebouwd en kwam een stad tot stand, die het zegel droeg van Hondsdamme, Hondes Damma, wat later werd afgekort tot Damme.

Omdat Damme gemakkelijker in de mond lag dan Hondsdamme? Of omdat de Dammenaars niet meer herinnerd wilden worden aan die blaffende hond die misschien wel de duivel was geweest?

Maar de legende blijft voorleven, al is het maar in het wapenschild van de stad: een zwarte, rennende hond op een rood veld met een zilveren balk.

 

De legende van Hondsdamme heeft raakpunten met een sage uit Friesland. Daar was echter geen sprake van een hond, wel van een mens. De sage vertelt dat de dijk pas sterk genoeg was om de zee te trotseren wanneer er een mensenoffer mee gepaard ging. De zeedijk kon pas standhouden wanneer hij een levend mens had verslonden.

 

Duivelsputten

 

Maar zelfs al legden de mensen dijken aan, toch wisten ze heel goed dat deze niet altijd bescherming boden. Een sterke zee, een hevige noordoosterwind en springtij en de dijk kon breken, de zee kon hele lappen Polderland weer onder water zetten.

Minder erg was het wanneer er alleen maar een bres in de dijk werd geslagen. Niet zelden hadden de konijnen al stiekem het voorbereidende werk gedaan door gangen in de aarden wallen te graven, waardoor zwakke plekken ontstonden die bij de minste stormvloed instortten. Ook de brugjes die waren aangelegd over bestaande kreken en watergangen, waren zwakke punten in een dijk.

Wanneer het water zo’n bres sloeg, dan vormde zich een soort draaikolk in het boogvormige gat in de dijk. Zoiets werd een ‘waal’ of een ‘weel’ genoemd. Van deze plekken werd wel eens gezegd dat ze de woonplaats van de duivel waren. Vandaar dat zo’n plekken ‘duivelsputten’ werden genoemd.

 

Aan de Oostkust lagen er verschillende van die putten.

Er was deze aan de graaf Jansdijk in Knokke, ter hoogte van de huidige Jan Devischstraat. Deze duivelsput was ontstaan na een dijkbreuk en de grond achter de dijk was zodanig uitgemaald dat er zich een bestendig moeras had gevormd. Niemand had er de duivel ooit gezien, maar men had hem wel gehoord, want hij sleepte met veel gerammel een zware ketting achter zich aan. Volgens een andere legende zou er in die put ook een kerk liggen verzonken.  

 

Ten westen van Heist lag er nog zo’n put. Dat was een overblijfsel van een grote bres in de Zeedijk aan de westkant van de Eiesluis, de zeesluis op de Ede.

 

En bij de Oostmolen in Heist lag de knibbelswaal, of afgekort de knipswaal. De huizen in een bepaald deel van de Westkapellestraat zouden daardoor een verzakte voorgevel hebben gehad. Vanwaar de naam ‘knibbel’ komt, is echter niet duidelijk. Het kan op een persoonsnaam geslagen hebben, maar kan evengoed een vervorming zijn geweest van ‘nikker’, de waterduivel dus.

 

Wanneer erbij werd verteld werd dat er bij die putten soms ook klokken waren te horen, dan werden die putten klokputten genoemd. Daar had de duivel een ongewijde klok in gedumpt, werd gezegd.

Rond de jaren dertig van vorige eeuw schreef onderwijzer-dichter Ward Vervarcke een toneelstuk rond de duivelsput van de graaf Jansdijk en hij liet het opvoeren door de leerlingen van het achtste jaar van de gemeenteschool. De aanzet van het stuk ging zo:

 

Zou het waar zijn wat men ons vertelt…

Dat eens een kerk door het zeegeweld

Verslonden werd met beuk en zuil

In deze grondeloze kuil.

Dan is het geen wonder dat het er spookt

En er ’s nachts een duistere damp rookt.

 

                                                                                                               

                                                                      Hiele holle hei

 

In Oostende, niet ver van de Doornbilk lag een put die verschrikkelijk diep was en wel dertig meter doorsnee mat. Men had hem al zo vaak willen dempen, maar dat lukte gewoonweg niet.  

De koeien mochten niet uit die put drinken, want de kans bestond dat het beest erin viel en er nooit meer uitgeraakte. En elke nacht spookte het rond die put.

Er werd verteld dat daar ooit een vrouwtje had gewoond die een koetje en de melk verkocht op de markt. Maar ze vulde haar emmers voor de helft met water uit de put en verkocht zo versneden melk.

Maar toen ze gestorven was kon ze geen rust meer vinden en riep ze iedere nacht:

Hiele, holle, hei!

Water en melk schaars gemeten

En God heeft mijn ziel vergeten!

Iedere nacht zagen de mensen wel iets rond die put. De ene keer was er een lichtje, de andere keer hoorden ze haar weer roepen en soms zágen ze er zelfs een oud vrouwtje lopen…    

 

                                                       

                                                         De put op het hof Torrille

 

Een rijke eigenares gebood de paardenknecht om haar koets in te spannen want ze wilde eens gaan kijken hoe het met haar eigendom ‘op de buiten’ gesteld was. De knecht leidde dus de twee zwarte hengsten uit de stal en spande ze aan de glimmend zwart gelakte koets in.

Als mevrouw goed en wel gezeten was, maakte de knecht een kruis en deed dat ook over de paarden vooraleer op de koets te springen. Of liever, hij ging scherrelings op de rug van één van de twee paarden zitten en riep ‘Ju! 

De koets zette zich in beweging en algauw kwamen ze op een landweg die vol bulten en bobbels en putten zat. Mevrouw zat te mopperen in zichzelf en probeerde de schokken wat op te vangen en wanneer het naar haar gevoel al te gortig werd, schreeuwde ze naar haar knecht dat hij wat trager en voorzichtiger moest rijden. Maar eindelijk kwam het hof Torrille in zicht.

En de knecht maakte weer een kruisteken en zei daarbij: ‘Met Gods dank en met Gods wille, zo komen wij op ’t Hof Torrille.’

Mevrouw die een vrijdenkster was en noch in God noch gebod geloofde, lachte spottend en snierde: ‘Spijt Gods dank en spijt Gods wille, komen wij tóch op ’t hof Torrille.’ Maar zie! Die woorden gloeiden nog op haar tong of er sprongen twee hazen uit het koren en beten de leidsels van de paarden door. De paarden schoten er vandoor, met de knecht op één ervan.

Maar met mevrouw gebeurde iets anders: zij zonk in de grond, met koets en al. En als knecht geschrokken omkeek, zag hij niets anders meer dan een kuil in de grond die de walgelijkste stank van gebrande hoornen en pekerspreidde. En dan liep er sissend en stomend water in de kuil en wanneer alles voorbij was, lag er op die plek een poel.    

Het hof Ter Hille was een omgrachte pachthoeve van de abdij van Ter Duinen. Deze put is reeds bekend sinds de 17de eeuw en in de boeken van de Duinenabdij wordt hij vermeld als de pit stick. Archeologische opgravingen tonen aan dat deze put een doorsnede had van wel 40 meter, maar in het landschap blijft daarvan enkel een lichte depressie over. De opgravingen toonden ook aan dat die put in de loop van de 20ste eeuw werd opgevuld met afvalmateriaal, maar dat er zich onder die stortlaag meerdere veenlagen bevonden en daaronder gyttia-afzettingen: een organisch sediment ontstaan door dode micro-organismen, plantenresten en de uitwerpselen van waterdieren dat zich op de bodem van stilstaande wateren afzette met groene tot geelbruine modder als resultaat. Wat je daar ook ingooide, het zonk altijd weg onder zijn eigen gewicht.

Hoe die put ontstaan is, is weer een ander verhaal, maar dat het veroorzaakt werd door een dijkbreuk die een weel vormde en de put meters diep uitgroef, is heel aannemelijk. Natuurkundig is het dus perfect verklaarbaar, maar in de sage gaat het om de godslastering die gestraft wordt.

En er zijn in die streek nog meer putten waarin een adelijke dame zou gesukkeld zijn...

Zo bevond zich tussen een Veurne en de abdij van Ter Duinen het coninginnegat, waar volgens de Veurnse kroniekschrijver Pauwel Heinderickx een gravin ‘met haren caroswagen in een quaden en modderachtigen put gevallen was en aldaar versmacht’. Deze adelijke dame zou niemand anders dan de weduwe van Filips van de Elzas zijn geweest.

Trekken we wat dieper het binnenland in, vinden we in Poperinge de carosseput, die luistert naar hetzelfde verhaal.

Maar niet alleen de bressen in de dijken waar een draaikolk was ontstaan, werden aan duivels gelinkt, ook bepaalde putten in de weiden kregen soms de kwalijke reputatie dat de duivel ermee gemoeid was en dat het er spookte…   

 

Zo had ieder dorp wel zijn duivels- of klokput en de verhalen errond werden soms heel kleurrijk. Zo was er in Oostduinkerke de put op het hof Torrille, of Ter Hille, door de omwoners ook wel eens het hof Ter Helle genoemd. En dit is wat lang, heel lang geleden gebeurde op die hofstee…