TUSSEN WATER EN WIND

verdronken dorpen

Mosselinge, Tarninge, Scarphout, Wulpen… dorpen verdwenen in de golven of onder gestoven door het zand. De mensen vluchtten voor de zee en de wind en zochten een stek meer landinwaarts waar ze nieuwe woningen en dorpen bouwden. Voor hetgeen gebeurd was, zochten de mensen een verklaring. En omdat ze het niet begrepen, dienden zich sagen, mythen en legendes aan, waarin een zeemeermin meer dan eens de hoofdrol speelde.   

 

Stormvloeden

 

Vooral in Zeeland spoelden bij stormvloeden heel wat dorpen onder en zo ontstonden vele verhalen daaromtrent. Zo bijvoorbeeld over Westenschouwen op het Zeeuwse Schouwen-Duiveland. Rondom die stad was ooit de lucht wijd en hoog, de zee groot en machtig en schepen vol rijkdom voeren er de haven binnen. De stad groeide, werd steeds rijker, maar het maakte haar burgers zelfingenomen en trots. Er was geen betere stad dan Westenschouwen, er waren nergens snellere schepen, er bestonden geen mooiere havens en er waren nergens zulke goede vissers, vertelden ze aan ieder die het horen wilde. Dat het goed met hen ging, vonden ze de gewoonste zaak ter wereld. En was er elders armoede en werd er gevraagd om te helpen, dan haalden ze hooghartig hun schouders op. Maar dan gebeurde het volgende…

 

                                       De zeemeermin van Westenschouwen

Op een dag deed een van de vissersboten een vreemde vangst. Omsloten door de mazen van het net spartelde een zeemeermin. Een met schubben bedekt vissenlijf, met een paar blanke armen en een wondermooi gezicht omkruld door zeegroene haren.

Eerst schrokken de vissers, maar toen ze zagen dat het gevangen wezen ongevaarlijk was, kregen ze de grootste pret en begonnen ze te spotten en te lachen met het vreemde wezen dat ze gevangen hadden.

De zeemeermin weende en krabde met haar nagels in de mazen van het net, waarop de vissers nog luider lachten. Ze riepen naar de andere schepen dat ze een zeemeermin hadden gevangen en ze hesen het net hoog aan de mast, zodat iedereen haar kon zien spartelen.  

Ineens riep ze iets. Het was een luide kreet, die niemand had begrepen. Maar het was ook niet tegen de mannen dat ze iets had geroepen, wel iets in de richting van de zee. En toen zagen ze hoe ze verlangend haar armen uitstrekte en er een soort van glimlach op haar gezicht kwam.

De vissers keken nu ook.

‘Hé, daar zwemt er nog één!’ riep een visser en een ander wierp het net uit om ook die andere meermin te vangen.

Het was echter geen zeemeermin, het was man! Een zeemeerman…

Met snelle slagen kwam hij dichterbij gezwommen. Zijn lijf glinsterde, maar zijn gezicht was grauw, zijn baard en haren schuimwit.

‘Wegwezen!’ riepen ze en ze voeren nu vlug naar de haven toe.

Maar de zeemeerman haalde hen in.

‘Geef me mijn vrouw terug!’ brulde hij.

De vissers lachten.

‘Toe, laat haar vrij’, riep de zeemeerman. ‘Buiten het water kan ze niet blijven leven, binnen een paar uur gaat ze dood. Toe, laat haar vrij!’

De vissers lachten hem vierkant uit en riepen nog wat schunnigheden naar de zeemeermin die daarboven in het net hing te kermen.

Het schip voer de haven binnen, maar de zeemeerman zwom mee.

Aan de kade snelden de mensen toe om de vreemde vangst te bekijken. En ook zij lachten haar uit en naar de zeemeerman staken ze hun middenvinger op.

De stem van de zeemeermin stierf zachtjes weg, haar ogen begonnen te breken.

De zeemeerman smeekte, maar men gooide vanaf de kade stenen naar hem.

Toen klonk de doodskreet van de zeemeermin, een paar stuiptrekkingen en toen hing ze helemaal slap. Haar gezicht en haar armen werden nog witter en haar groene haar werd vaalgeel.

De zeemeerman hief zich nu hoog uit het water op, wild fladderden zijn witte haar en baard om zijn hoofd en met zijn vuisten sloeg hij het water tot schuim. Zijn stem bulderde over de golven. ‘O wee, o wee, Westenschouwen!’

Het klonk over de golven, het klonk de haven rond. En er lag zoveel dreiging in die stem.

Het water rond de zeemeerman werd zwart toen hij riep:

Schouwen, Schouwen,

’t zal je rouwen

dat je genomen hebt m’n vrouwe!

’t Rijke Schouwen zal vergaan,

alleen de toren zal blijven staan!

En toen dook de meerman onder.

Even was het stil, maar dan begonnen er een paar te lachen en tenslotte lachten en spotten ze allemaal.

Maar dan kwam het noodlot over de stad… de haven verzandde, geen schip kon nog de haven in en uit varen.

Er wordt verteld dat men nog af en toe de meerman zag opduiken. Hij schoot uit de golven op, de handen vol zand en wier, zijn ogen vol wrok.

De handel op Schouwen stierf stilaan uit. De stad kende armoe.

Het zand drong steeds verder op. Het stortte zich over de stad heen, het drong in de huizen door gaten en kieren. Daken stortten in, muren sloegen om. De mensen vluchtten weg uit de stad.

Alleen de toren is blijven staan en eeuwenlang luistert hij naar de stem van de zeemeerman…

Rouw, rouw over Westenschouwen… weent de wind, ruisen de golven en fluistert het zand.

Torens boven het water

In tal van dat soort verhalen is er sprake van ‘torens die zijn blijven bestaan’. Het was inderdaad zo dat de torens van de kerken nog een tijd boven het water bleven uitsteken, wanneer het dorp was verzand of was overstroomd door de zee. Het duurde niet lang of die torens veranderden in ruïnes, maar ze deden nog lang dienst als baken voor de schippers. Het waren eenzame spitsen in een wijdse, golvende zee en kregen de bijnaam ‘de vingers van God’. Herinneringen aan het noodlot en het oude schuldbesef van de mensen van toen: alles wat ons overkomt, komt door onze zonden, hoogmoed en trots.

De kerktoren van Valkenisse bijvoorbeeld diende na de ramp nog als baken voor de scheepvaart op de Westerschelde, voor hij in 1750 instortte. Zo’n desolate toren was een vertrouwd beeld vanop de Zeeuwse wateren. En een van die torens, de Plompe Toren van het verdronken dorp Koudekerke op Schouwen, staat er vandaag de dag nog altijd.  

                 

                                                         Het visje in de waterput

 

De mensen van Saeftinge woonden in grote welstand en ze konden het maar niet laten om te pochen met hun rijkdom. De boeren gingen in zijde gekleed en hun vrouwen droegen de fijnste kant. Ze smukten zich op met sieraden van goud en koraal, hun paarden besloegen ze met zilveren hoeven en overal hoorde je de zilveren munten rinkelen.

Dit alles trok arme mensen en bedelaars aan, maar deze werden met stokken en blaffende honden verjaagd.

Op een dag ging een boerenmeid water halen uit de regenput. Toen ze de emmer in het water liet zakken, zag ze dat er een haring in de put zwom. Dat er een vis in de put zwom, was niet zo vreemd, want er waren wel meer mensen die een visje in de waterput lieten zwemmen. Dat was dan een tinkje, een visje die het water van de put schoonhield. Maar het was geen tinkje, het was een haring… een zeevis dus! Dat was wel een heel slecht teken.

De meid proefde even aan het water en dat maakte zout. Dat was nog een slechter teken! En bij overmaat van ramp begon die vis ook nog te praten. ‘Het land van Saeftinge zal vergaan, alleen zijn torens zullen blijven staan!’ lipte de vis.

De meid gooide de pratende haring weer in het water en vluchtte krijsend weg. Want ze kon al vermoeden wat er zou gebeuren…

En inderdaad, de nacht daarop stak er een zeer zware storm op. Tegen middernacht bereikte de wind zijn hoogtepunt en een enorme stormvloed spoelde over het land en verzwolg Saeftinge en de omliggende dorpen. De torens bleven nog enige tijd boven het water uitsteken, totdat ook zij in de zee verdwenen.    

 

Nu, vele eeuwen later, noemt het uitgestrekte schorre- en slikkegebied nog steeds het verdronken land van Saeftinge. Een wondermooi natuurgebied waar je begeleide excursies kunt maken. Zonder gids is het verboden, want wanneer de vloed opkomt, lopen de geulen vol, sta je zo tot aan je knieën in het water, zuigen je voeten zich vast in de grond en raak je afgesloten. Een bijzonder gebied, voortdurend wisselend van sfeer, van karakter. Een aantal uur is alles droog, is het gras en zand en land, maar dan komt de vloed en overwint weer de zee.

tinkje = een zeelt (Tinca tinca), een slijmerige vis van de karperfamilie die op de bodem van stilstaand of weinig stromend water leeft

Sint Felix quade saterdach

 

Tussen 1134 en 1530 waren er aan onze kust minstens 45 stormvloeden die dorpen en kerken overspoelden. De hevigste stormvloeden kregen vaak de naam van de heilige wiens naamdag het was wanneer het gebeurde. Zo waren er twee Sint-Elisabethsvloeden, was er een Sint-Luciavloed, een Cosmas- en Damianusvloed, een Sint-Clemensdag en een Sint-Vincentiusnacht. De voor Zeeland meest fatale vloed werd de ‘Sint Felix quade saterdach’ genoemd. En op 1 november 1570 was er de Allerheiligenvloed die alle Zeeuwse eilanden en ook de streek rond Saeftinge trof. In 1717 was er de Kerstvloed.

 

 

 

 

Mosselinge, Tarninge...

 

Vooral in Zeeland verdwenen bij die stormvloeden heel wat dorpen in de zee, maar ook bij ons raakten dorpen en woonkernen overspoeld. Zo verdwenen bij ons Walraversyde bij Oostende, Mosselinge en Tarninge bij Wenduine en Scarphout ten Noorden van het huidige Blankenberge. Aan de westkust verdween Santhoven, het oude Nieuwpoort, en aan de oostkust verkasten de mensen van Heys noodgewongen naar Koudekerke, dat later toch opnieuw Heist werd genoemd. Nog aan de oostkust verdwenen Scharpoord, Vijfhuizen en Schaarte. En ook Wulpen, het eiland ten noord-oosten van het huidige Knokke verdween in 1516 voorgoed in de golven.

Wulpen was nochtans een behoorlijke lap grond en wanneer het vastgedijkt werd aan Koezand, had het niet minder dan vier kerken, een hospitaal en een kasteel. Er was op het eiland ook een plek dat de ‘Paardenmarkt’ noemde, een naam die op oude kaarten te lezen staat.

Toen de vloed op kwam zetten, heeft wellicht het grootste deel van de bewoners op tijd gezien wat er zou gebeuren en hebben ze zich met bootjes uit de voeten kunnen maken. Wellicht hadden ze al bij vorige stormen met schrik aan ’t hart gemerkt hoe gulzig de zee aan hun land knabbelde en hadden al velen het zekere voor het onzekere genomen en waren ze vertrokken. Maar hun huizen hebben ze moeten achterlaten, en ook een deel van hun hebben en houden. Hun herinneringen aan het eiland namen ze mee, maar ook deze werden overspoeld door de zee.

 

In Zeeland werden niet minder dan 117 kerkdorpen door de zee opgeslokt. Niet vreemd dus dat er vooral in Zeeland tal van sagen ontstonden die te maken hadden met watersnood en overstromingen. En verhalen over zeemeerminnen waren er bij de vleet. Zo had je niet alleen de zeemeermin van Westenschouwen, maar ook ook de zeemeerminnen van Reimerswaal, Walcheren en Veere. En allemaal hadden zij de overstroming voorspeld.

Toch is de naam Wulpen blijven bestaan in enkele sagen. In de bekende oud-Noorse Gudrunsage vocht de Deense koning Hettel op ‘Wulpenzand’ een veldslag uit met de Normandische rovers Hartmut en Ludwig die zijn dochter Gudrun hadden ontvoerd.

En ook een vikingensage speelt zich op het eiland Wulpen af. De zieneres Bryggja ondernam van daaruit een wereldreis. Met een snek voer ze naar het Oosten terwijl de oude man Jonte een visioen kreeg waarin hij zag dat het eiland zou worden verslonden door de waterwolf. Alweer een voorspelling van een ramp…    

 

Of de Paardenmarkt op Wulpen een plek was waar paarden werden verhandeld, een markt dus, of een paardenkerkhof tijdens de Spaanse overheersing, kan niet meer achterhaald worden. Het kan ook ‘mark’ zijn geweest: niet meer dus dan ‘grens’, ‘afbakenig’, ‘markering’.

Het werd wel een beruchte zandbank, want vele vissersboten scheurden er hun netten aan de ankers en aan de toppen van de masten van schepen die er waren vergaan en gezonken. Er werd trouwens ook verteld dat daar veel geld in het zand lag omdat er ook Spaanse schepen met goud waren vergaan.

Maar ook die zandbank verdween, maar niet zonder zijn naam te hebben uitgeleend aan een andere zandbank, een langgerekte bank net voor de kust van Heist.

 

Meer lezen over verdronken dorpen en verdronken land in zuidwest Nederland: Sluimerend in Slik

De vloed die nooit kwam

Toen het bijzondere jaartal 1500 naderde, werd Europa geplaagd door de vrees voor het naderend wereldeinde en dat werd aangekondigd door allerlei tekenen. In 1499 verscheen in Duitsland een boekje waarin op basis van de standen van de planeten een zondvloed werd voorspeld voor het jaar 1524. Een grote onrust maakte zich van de mensen meester en er verschenen tal van pamfletten waarin werd voorspeld dat er op een welbepaalde dag in dat jaar een immense vloed zou komen. Er was sprake dat een enorme vis de zon, de maan, de sterren en de mensen op zou slokken. Uit de ingewanden van het monster zou het water zich over de bewoonde wereld uitstorten. Toen bij overmaat van ramp Napels in oktober 1523 door een zeer zwaar onweer werd getroffen, ging men op sommige plaatsen in Italië zelfs houten huizen bouwen die, net als een ark, konden gaan drijven en zowel dienden als boot of als woning. Maar zoals de lezer al vermoedt… de voorspelde vloed is nooit gekomen.  

 

 

Watersnood 1953

 

Rond de jaren 1900 werden aan onze kustplaatsen,van Knokke tot De Panne, stevige stenen dijken aangelegd. Het doel was niet zozeer bescherming tegen het water, maar was vooral om het opkomende toerisme te promoten. Die dijken zorgden ervoor dat de rijke mensen van het binnenland konden flaneren en genieten van het zicht op zee, zonder het zandige strand op te moeten waar het geschoeid en gelaarsd niet zo aangenaam lopen was.

Maar die dijken boden ook bescherming tegen de zee. Ze zagen er heel stevig uit, de overheid had zich van zijn taak gekweten. De kust was beschermd. Iedereen kon op zijn twee oren slapen.

Tot het jaar 1953. De nacht van 31 januari op 1 februari…

Er woedde reeds 24 uur een vreselijke storm. Bovendien kwam de wind uit het noorden en was het springtij.  De wind was zo hevig en het waterpeil zo hoog, dat het water bij eb niet meer kon terugstromen en bij de derde vloed gebeurde het. Op vele plekken sloeg de zee stukken duin en dijk weg en stroomde het land binnen. Rijkswacht, brandweer, werklui en iedereen die maar wilde helpen sleurde zandzakken aan, probeerde de zwakke plekken te versterken. Maar tegen het water was niets te beginnen. De mens moest het hoofd buigen.  

 

In Zeeland was het een regelrechte ramp. Vele stukken land kwamen blank te staan en er kwamen 1853 mensen om. Maar ook aan onze kust heerste waternood. Aan de Oostkust werden hele bressen in de dijken geslagen, maar Oostende werd het hardst getroffen. Wie toen in Oostende woonde, kan nog vertellen dat de straten toen blank stonden.

 

Zo zat Jean Calcoen, Snoek, op het moment van de overstroming op de Ibis, de school voor vissersjongens. ‘Ik was toen dertien jaar. De Ibis lag zo’n beetje op een hoogte en alleen de kelders waren volgelopen, maar rondom was ’t allemaal water. De straten zag je niet meer en de huizen waren ondergelopen. Er dreven op een bepaald moment zelfs twee dode koeien rond. Ik weet nog dat ze vertelden dat er in één van die huizen ook een weeuwtje was verdronken. Wij, de jongetjes van de Ibis, hebben dan met water moeten rondgaan en ook met eten, want de school had daar heel grote voorraden van.’

 

De vissers die toen op zee waren, kunnen nog vertellen hoe ongerust ze waren als ze over de radio hoorden dat de kust te kampen had met overstromingen. Ze waren banger voor wat er met hun gezin kon zijn gebeurd dan wat er met het schip kon gebeuren. Maar daar op zee ging het die keer heel erg te keer.

                                                                        

                                            

                    Visser Fernand Gevaert vertelt over die nacht op zee

 

We waren al drie dagen aan het vissen. We hoorden op radio Scheveningen dat er een zware storm over de Noordzee werd verwacht. Op vrijdag kwam de wind sterk opzetten uit het zuidwesten om tegen de avond te ruimen naar het noordwesten. Er was sprake van windkracht acht. Verder vissen was onmogelijk. We begonnen alles wat los zat stevig vast te sjorren. In de loop van de nacht evolueerde de toestand naar zwaar stormweer met rukwinden tot windkracht tien. De hele zaterdag bleef de stormwind aanhouden. De golven waren zo woest dat de schipper een dubbele wacht liet lopen: ik en de machinist. Ik zag dus goed hoe de wind nog meer aanwakkerde en hoe de storm die nacht de kracht van een orkaan ontwikkelde. De zee leek te koken en was veranderd in een kolkende schuimmassa. Ons bootje van amper 15 meter lang vocht in die woeste heksenketel. We zagen geen hand voor ogen door al dat schuimende water dat aan boord sloeg. Nog nooit had ik zo’n storm meegemaakt. Midden in de nacht hoorden we dat er golven van twaalf meter hoog werden gemeten. Voor ons was dat geen nieuws, want we zaten er middenin. We zagen continu die dreigende, immense golven op ons afkomen. De motor moest telkens sneller draaien om te vermijden dat we werden meegesleurd. In zo’n omstandigheden voel je je piepklein en machteloos.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De volgende ochtend was de wind naar ons aanvoelen een beetje geluwd, maar de golven klommen nog steeds metershoog op. Toen hoorden we op de radio dat een groot deel van Nederland was overstroomd. Ieder uur hoorden we meer akelige berichten. Overal waren dijken doorgebroken en bressen geslagen. Er was sprake van honderden doden. Ook aan onze kust hadden sommige dijken het begeven en had het water vrij spel gekregen. In Oostende en Heist stonden vele straten blank.

Onze schipper maakte zich zorgen om zijn gezin en besloot naar huis te varen. Hoewel het in zo’n omstandigheden erg gevaarlijk was, want in ondiep water ben je minder veilig dan in diep water, gooiden we het roer om en voeren richting thuishaven. Maar dat betekende ook varen voor de wind en de golven beukten met volle kracht tegen onze achtersteven. Als je met de wind meevaart, kun je je boot haast niet in toom houden. Het was vechten tegen de storm en tegen de zee. Onze boot ging zo tekeer dat we het roer met tweeën moesten vasthouden om het schip op koers te houden. Onze handen waren klam en het zweet parelde op ons gezicht. Na vele uren varen kregen we eindelijk land in zicht. Op zes mijl van de kust kwamen we in ondiep water. De zee ging daar ongelooflijk tekeer, maar wij moesten erdoor, willen of niet. En toen kwam een kanjer van een golf op ons af. Hij was op zijn minst twaalf meter hoog. We konden hem onmogelijk vermijden en de klap die toen volgde was oorverdovend. Onbeschrijflijk! Het roer werd uit onze handen geslagen en we klampten ons met bonzend hart vast waar we maar konden. Het was de hel! Toen de muur van water was weggetrokken en we min of meer weer rond ons heen konden kijken, zagen we dat ons bootje met de kop naar de golven lag. We hadden een draai van 180° gemaakt! Die golf had ons gewoon achterste voren gekeerd.

Maar er was gelukkig niet al te veel schade aan de boot. Wij stonden wel te trillen op onze benen. Maar niemand die wat zei. Geen één die nog een woord sprak, zo aangedaan waren we. In doodse stilte voeren we de haven binnen, meerden onze boot aan, legden de motor stil en hingen onze netten te drogen. En we haastten ons om thuis te zijn te zien of alles in orde was.            

 

Stuivend duinenzand

 

De storm was niet van die aard dat er stukken land werden weggehapt en dat mensen voor altijd werden verdreven uit hun huizen... De kustwering deed haar werk. De zee was bedwongen en ook het zand van de duinen werd onder controle gehouden. Voor zover mensen nog in de duinen woonden, wat vroeger wel het geval was.

Het was vroeger inderdaad niet altijd het water dat de mensen verdreef uit hun huizen en ze aanzette om elders een dorp te gaan bouwen, soms was ook het stuivend duinzand de oorzaak. Bij storm werd het landinwaarts geblazen en stoof huizen en zelfs dorpen en kerken onder. En de talrijke konijnen maakten het probleem nog groter door holen te graven in het zand en zo de duinen te ondermijnen.

Zo werd bijvoorbeeld Zuydcoote in Frans-Vlaanderen bedolven door het duinzand, waardoor een nieuw dorp wat meer landinwaarts moest worden gebouwd. Tot in de negentiende eeuw was daar nog midden in de duinen de oude toren van de kerk te zien.

 

In Koksijde liep het verhaal over een groot klooster dat onder het zand van een duintop werd bedolven. Volgens de sage was die duin de kop van een monster, ‘Blinde Kleppe’. Met zijn staart lag het in zee en langzaam aan schoof het verder het land in en bedolf zo het klooster onder het zand.

Met dat klooster werd natuurlijk de abdij van Ter Duinen bedoeld, een van de kloosters gebouwd door de paters van de orde van Cîteaux. Die abdij werd tijdens de godsdienstoorlogen verwoest en onder het zand begraven, maar rond de jaren 1950 gebeurden er systematisch opgravingen, werden de ruïnes opnieuw blootgelegd en hier en daar wat muren heropgebouwd.  

Een mooie plek trouwens, de ruïnes van die machtige abdij in de duinen. Als je daar rondslentert op een dag zonder volk, lijkt het of je de monniken hoort ademen, en als je heel goed luistert hoor je ze hun gebeden prevelen en hoor je ze zelfs de blaadjes draaien van hun brevier.

 

De ruïnes van de abdij van Ter Duinen

zijn van de abdij die werd gebouwd in de dertiende eeuw. Toch woonden er reeds veel eerder, rond het jaar 1100, monniken op die plek In de vroege twaalfde eeuw (1128) bouwden ze een eerste abdij in steen. Dat was op initiatief van Fulco, de monnik die toentertijd abt was. Maar deze abdij van Fulco gaf lange tijd haar geheimen niet prijs. Haar lokalisatie bleef een raadsel. De historici waren wat op een verkeerd spoor gezet door een vijftiende eeuwse bron waarin werd gesproken over het ‘oostelijke strand’, maar waar moest de abdij dan worden gesitueerd? De archeologen hadden er het raden naar. En wie weet was de sage wel juist? Misschien lag het eerste klooster wel diep in de duinen begraven?

Maar onlangs ontdekte een snuggere jonge archeoloog die onderzoek deed op het Hof ter Hille in Oostduinkerke sporen van een verdwenen getijdenrivier. Wat het geheim ontsluierde… Met het ‘oostelijke strand’ werd dus niet het eigenlijk strand bedoeld, maar wel de oostelijk gelegen oever van de getijdenrivier. Met wat extra speurwerk onder de ruïnes van de latere abdij, stootte hij op nog meer bewijsmateriaal. De abdij van Fulco was nergens anders gebouwd dan op dezelfde plek waar een paar eeuwen later de nieuwe abdij was geplaatst.   

 

Archeologisch onderzoek

 

Waar het mogelijk is wordt archeologisch onderzoek gedaan naar verdwenen dorpen. Meestal is dat niet mogelijk, want deze liggen diep in de zee, of heel diep onder het zand. Maar soms komt overstroomd land weer vrij, komen resten van dorpen weer bloot te liggen. Zoals Oud-Valkenisse in de Oosterschelde. Een jaar of twintig terug zag je wel vaker een ploeg mensen van de archeologiewerkgroep er bij eb heen lopen, blootsvoets door het natte zand en met het gerief op de schouders. De funderingen van het dorp waren bloot komen liggen en wanneer ze een schop in de grond staken, kwam daar altijd wel een potscherf naar boven of stootten ze op de gapende mond van een skelet. Ook waren hier en daar nog sporen van huizen te vinden.

 

 

 

In Vlaanderen brachten opgravingen heel wat bewoningsporen van het verdwenen vissersdorp Walraversijde aan het licht. Het was in de dertiende eeuw gebouwd aan de inham, de ide, van het kleine riviertje, de Walraf. Maar ook hier waren zee, zand en wind spelbrekers en moesten de bewoners hun have en goed verlaten. De opgravingen in Walraversijde startten in 1992 en leverden tal van vondsten op. Omdat de bodem zo vochtig was, bleef heel wat bewaard. Ook veel gebruiksvoorwerpen, zoals de oude haringvaatjes die opeen werden gestapeld om een regenput te maken… en heel wat zaken die met de visserij te maken hebben als vishaken, kurken vlotters, lood om de netten te verzwaren en ‘boetnaalden’, houten naalden waarmee de netten werden gebreid. Op één van deze naalden was een motief gekerfd: drie ineengestrengelde vissen. Veel denkwerk was niet nodig om dat als logo voor het museum te gebruiken! Maar niet alleen het museum loont de moeite, ook de site rondom. Daar werd niet alleen het landschap gereconstrueerd, maar met de originele bakstenen van het oude dorp werd ook het huis van een vissersweduwe, het huis van een rijke reder en dat van het gezin van een visroker heropgebouwd.

 

 

Klokgelui

 

Natuurlijk dat er rond die verdronken, verdwenen, ondergestoven dorpen ook verhalen werden geweven... zo zei men dat er op die plekken klokgelui te horen was.

Zo kon je met Pasen in Oostende het klokje van de kerk van het verdronken Ter Streep horen, lang nadat het was vergaan.

Volgens andere vertellers gebeurde dit wanneer er hoge golven waren en hevige storm op komst was. Dan hoorde je de klokken onder het water.  

In Wenduine, waar men bij extreem laag tij nog de stenen van de oude kerk heeft gezien, hoorde men op bepaalde nachten het kerkorgel en een doodsmis zingen.  

In Oostkerke hoorde men tijdens de kerstnacht de mistklokken luiden van de schepen die vergaan waren in het verzande Zwin. En op de plaats waar het oude Blankenberge, Scarphout, verzonken ligt, was er op kerstnacht klokkengelui te horen. Iets wat verschillende vissers nog tot aan de eerste wereldoorlog hardnekkig staande hielden. Een ietwat prozaïscher uitleg hiervoor is dat men onder gunstige omstandigheden, waaronder landwind, het klokkengelui van de kerken aan de kust een paar mijlen ver op zee hoorde. Veel verbeeldingskracht was niet nodig om er een verdronken kerk bij te verzinnen…

 

Het verdronken land van Saeftinge

 

Ook Saeftinge, een vruchtbaar stuk land aan de Schelde, kende een zelfde geschiedenis, maar hier was het geen zeemeermin die de ramp voorspelde, maar wel een visje.

De archeologische site Walraversyde bezoeken...

Plompe toren van Koudekerke