TUSSEN WATER EN WIND

zeemeerminnen

Zeelui vertelden wel eens dat ze een meermin of een zeewijf hebben gezien… een prachtige vrouw met lange haren en uitdagende borsten, maar als onderlijf een geschubde vissenstaart. En dat ze dichtbij het schip was komen zwemmen en dat ze gezongen had en zo geprobeerd om iemand van de bemanning in zee te lokken.

Straffe verhalen

 

Natuurlijk pochten vissers wel eens dat ze een zeemeermin hadden gezien… daar kon je een heel café stil mee krijgen. Want al werd met een zeker ongeloof naar het verhaal geluisterd, men wist toch maar nooit dat het waar was. Maar er waren verhalen te kust en te keur…

Zo werd verteld dat de zeemeerminnen treurig waren als ‘t mooi weer was, en fleurig als ‘t regende. Dat je ze wel eens rond het schip zag zwemmen bij mistig weer en dat ze begonnen te zingen als er storm op til was. Er waren er ook die een zeemeermin gezien hadden die haar kind zoogde.

‘Als we bij elkaar in ’t logies zaten, werd er wel eens een zottigheidje over een zeemeerminne verteld,’ zegt Jean Snoek, ‘of tegen een joengetje werd al eens geroepen dat er één in ’t net zat, maar die kluchtjes waren altijd te dom om dood te doen!’ Maar wanneer hij verder vertelt, raakt de fictie toch even de realiteit… ‘Zo’n zeekoe, een brúntje lik da we zeggen, dat is precies een wijf. We zagen ze soms zwemmen, mee met het schip. Ze speelden mee met de boeg en hoe rapper je vaarde, hoe rapper zij zwommen.’

 

Zeekoeien hebben van op afstand inderdaad iets menselijks. Ze zijn ongeveer even groot als een volwassen vrouw, hebben een spitse vorm, en hebben ook tepels. Als de wijfjes hun jongen zogen, richten zij hun lijf op, zodat ze met hun bovenlichaam boven de oppervlakte uitsteken. Ze omarmen hun zuigelingen met hun zwemvinnen, zoals een vrouw een kind in haar armen houdt. Niet vreemd dus dat er verhalen werden verteld over zeewijven die hun kind wiegden en zoogden. Ook het klagende geluid dat ze voortbrengen heeft iets van een wenende vrouw. De Latijnse naam van deze diergroep is Sirenia, afgeleid van het woord ‘sirene’, een meermin die met haar gezang de zeelui het water in lokt.

 

Cafépraat ?

 

Die verhalen over zeemeerminnen waren cafépraat en niemand hechtte er echt geloof aan, maar zolang het tegendeel bewezen was, kon niemand zeggen dat die zeewijven niet echt bestonden. En wellicht hoopte elke visser er ooit wel eens een te ontmoeten, of op te vissen in zijn netten, hoewel dat toch meestal geen goed voorteken was. Ze waren wel vaker voorbodes van rampen geweest.  

Je joeg ze dus best weg wanneer ze rond je schip begonnen te zwemmen. Dat kon je doen met kokend water overboord te gieten. In ieder geval moest je beletten dat ze het schip aanraakten, anders zou het schip vergaan. In geen geval mocht je toelaten dat ze aan boord klommen. Anderen zeiden dat je het best meteen rechtsomkeer maakte en zorgde dat je een veilige haven binnenliep wanneer je er een zag of hoorde.  

Talrijk ook waren de verhalen over de prachtige zang van de zeemeerminnen. Dat ze zolang zongen tot één van de opvarenden het niet meer kon houden en overboord sprong. De meermin nam hem dan in haar armen, trok hem mee in de diepte tot hij verdronk.

Maar het kon nog erger…

 

  

                                                                  De zeemeermin van Wenduine

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met zeemeerminnen viel dus niet te spotten. Als ze je iets vertelden, deed je er best aan goed te luisteren. En nooit of nooit mocht je er één vangen, want daar kwam altijd een hoop gedonder van. Luister maar wat er in Damme gebeurde…

 

 

                                                                                              

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Believers en not-believers

 

Dat de drang om toch te geloven dat die zeewijven bestonden, heel groot was, getuigt hetgeen de historicus François Valentijn in 1726 optekende in enkele boeken in zijn geschiedenis en natuurlijke historie van Oost-Indië. Speelde zijn fantasie hem parten, of was het hem te doen om geld of roem? In ieder geval ging hij heel minutieus te werk bij de beschrijving van de ‘zeewijven’ die hij had gezien. Hij schrijft dat er eentje zelfs in leven was gehouden in een kuip vol water. Af en toe stootte ze kleine kreetjes uit als van een muis. Ze boden haar schelpen, krabben en kreeften aan, maar ze wilde daar niet van eten. Toen ze overleden was, vond men ‘excrementen’ die leken op kattendrolletjes.

De afbeelding die Valentijn in zijn boek maakte, is echter verre van secuur en men kan zich zelfs terecht afvragen of die man ooit wel een naakte vrouw zag, laat staan een zeemeermin. Zijn beschrijving mag er daarentegen wel zijn…

‘Haar ogen waren van een vreemde, zeer lichtblauwe kleur. Haar lange haar was zeegroen en grijs. Ze had borsten, lange armen en handen en haar bovenlijf was ‘veertien duim’ lang, bijna zo blank als een vrouwenlichaam, maar toch ook neigend naar zeegrijs. Onder haar navel was ze als een vis, en de overgang tussen vissenlijf naar lichaam was bezet met een halve krans van een tiental rode bolletjes, zo groot als een knikker en rood van kleur. Daaruit waaierde een krans van veertien gele vinnen, dooraderd met een zestal zeegroene, fijne streepjes. Het onderlijf was geschubd als dat van een karper, ‘visblauw’ van kleur en ’35 duimen’ lang. Aan beide zijden liep een lichtrode streep.Ze had twee paar vinnen, vrij lang en niet zo breed en haar buikzijde was glad.

 

 

De Wenduinse vissersvloot

Eeuwenlang was Wenduine een belangrijke vissersplaats. Zo staat in een oorkonde uit 1378 dat er 42 vissersbootjes waren. Zij vaarden binnen via een ‘vloetgat’, een overblijfsel van een vroegere ‘yde’ of inham, een soort schuilhaven tussen de duinen, aan de kleine kerkepanne. Rond het midden van de zestiende eeuw kwam er een kentering en zo goed als de hele vloot verhuisde naar Blankenberge om daarna helemaal ter ziele te gaan. Wellicht werd de legende van de zeemeermin van Wenduine in het leven geroepen om daar een verklaring voor te geven.  

 

 

Zeemeerminnen plachten wel vaker onheilsboodschappen te brengen... overstromingen die hele dorpen opslokten... zie verdronken dorpen.

In het Noord-Franse dorpje Mardijke wordt een gelijkaardige sage verteld. De vissers hadden er een zeemeermin gevangen en haar pas vrijgelaten nadat ze flink de spot met haar hadden gedreven.

En toen kregen ze te horen: ‘Mardijke, Mardijke, altijd arme, nooit nie’ rijke’.

Ook deze voorspelling kwam uit.    

Om het skelet van een zeemeermin te bestuderen, kon men zo’n eeuw terug nog in het Museum Stracké terecht. Dat museum in de duinen tussen Mariakerke en Raversijde was een nauurhistorisch museum opgericht door de hotelier August Stracké. Er stond een ratjetoe van Kongolese voorwerpen, opgezette dieren, allerhande skeletten en daartussen ‘zou’ zelfs het geraamte van een zeemeermin te vinden zijn geweest. Maar waar Stracké dit op de kop heeft getikt, of welke kunstgreep hij heeft toegepast om dit geloofwaardig te maken, de hemel is ’t wijs. Dit napluizen kan echter niet meer, want het museum werd in 1914 door de Duitse bezetter opgedoekt. Maar misschien, heel misschien, staat dat skelet toch nog ergens op zolder van het Onze-Lieve-Vrouwcollege, waar heel wat voorwerpen van dat museum toen een onderkomen vonden.  

 

Hoertjes en oede wuven

In de negentiende eeuw werden op de Amsterdamse Botermarkt ‘meerminnen’ tentoongesteld en daarbij werd ook de visser en vindplaats vermeld. Maar de mannen die kwamen kijken, lieten zich niet vangen… ze wisten immers hoe graag de Amsterdamse hoertjes voor een prijsje hun borsten lieten zien. Kon het die meisjes wat schelen dat ze een geschubd onderlijf aan moesten trekken en een tijdlang in groenig zeewater moesten gaan liggen…?

 

   

 

 

                                                                          De visser en de zeemeermin                  

 

Een jonge visser had al vele verhalen over zeemeerminnen gehoord… dat ze hun haar lagen te kammen op een zandbank voor de kust of dat ze zeelui lokten met hun gezang. En hij werd zo nieuwsgierig dat hij vurig bad om hen eens te horen zingen. Op een avond, toen hij in de duinen zat te kijken naar de zee, werd zijn gebed verhoord en zongen de zeemeerminnen.

Toen hij hun gezang hoorde, sprongen de tranen in zijn ogen van ontroering.

En dat gezang bleef hem maar achtervolgen. Hij bleef daar maar aan denken en ging telkens opnieuw terug naar die plek in de duinen, in de hoop het nog eens te mogen horen.

Maar eigenlijk wilde hij ze ook wel eens zíen!

En stilaan werd het een obsessie, hij moest en zou die zeemeerminnen in levende lijve zien. En dus bad hij nog vuriger, in de hoop dat ook die wens in vervulling zou gaan.

En jawel… op een avond zat hij weer op zijn plekje op een duin en zag drie zeemeerminnen die naar het strand toe kwamen zwemmen.

En weet je wat hij zag? Ze trokken hun geschubde meerminnenstaart uit en dansten langs de waterlijn.

Hij geloofde zijn ogen haast niet Drie zo’n prachtige meisjes in de late avondzon.

Als ze een eind verder waren gelopen, stond de visser in een impuls op, rende naar de kleedjes en pakte er een mee. Zo snel zijn benen hem konden dragen liep hij naar huis waar hij het verstopte.

Toen de zeemeerminnen terugkwamen, schrokken ze. Er was een kleedje weg.

Maar lang talmen mochten ze niet, dus trokken twee van hen hun kleed weer aan en lieten de derde meermin achter.

De visser was ondertussen teruggekeerd naar het strand en liep tot bij het mooie meisje dat zo helemaal bloot voor hem stond. Het was het mooiste meisje dat hij ooit had gezien.

Hij vreesde dat ze nu wel heel kwaad zou zijn, maar dat bleek niet het geval.

Ze vond die visser toch wel een charmante, aardige kerel. En ze vroeg of ze met hem mee mocht. Naar zijn huis.

En zelfs meer: ze wilde dat hij met haar zou trouwen. Want nu ze haar staart kwijt was, kon ze niet meer terug en was ze verplicht om te trouwen met de eerste man die ze ontmoette.

Maar gelukkig was het een knappe charmante jongeman. Een visser.

De visser was helemaal niet rouwig met deze situatie. Hij nam haar dus mee naar zijn huis en al snel trouwden ze. Zijn moeder leerde haar naaien, spinnen en weven, en koken en kuisen, en de pastoor leerde haar de catechismus. Ze werd een voorbeeldige huismoeder en samen kregen ze twaalf kinderen.

Maar op een dag, het was in ’t voorjaar, tijdens de ‘grote kuis’, vond ze haar meerminnenkleed van geschubd vissenvel terug… Maar dat betekende dat ze afscheid moest nemen van haar man én van haar kinderen.

Het was met tranen in de ogen dat ze vertrok: ‘Nu zal de zee wel voor eeuwig mijn thuis zijn,’ snikte ze. ‘Zorg goed voor onze kinderen. Het zijn zonen en dochters van een meermin. Ook zij zullen moeten zwerven, hun leven lang. Ze zullen van dorp tot dorp trekken, van land tot land.’

 

En zo gebeurde het ook. Het werden woonwagenbewoners... de scheresliepen en marskramers, krijtleurders, ketellappers en voddemarchangs zijn dus allemaal afstammelingen van de zeemeermin en de jonge visser.

Af en toe wonen ze een tijdje aan de rand van de stad en dan zijn ze weer weg, om een hele tijd later terug te keren.

                                                                   De zeemeermin van Damme

 

Een zeemeermin was op een dag ergens in de Zwinnegeul verloren gezwommen. Een visserbootje van Damme had haar in hun netten opgevist, iets wat ze best niet hadden gedaan…

Door het dolle heen, brachten ze het schepsel naar Damme, want ze wilden haar op de markt tentoonstellen. De meermin had de hele weg tegengesparteld, geroepen en gescholden en toen ook gesmeekt om haar vrij te laten, maar de vissers lachten haar uit. Op zo’n vangst gingen ze maar al te prat. Was al eens iets anders dan een vette kabeljauw of een grote griet!

In het dorpje Hoeke had ze al haar kam verloren en in Oostkerke haar spiegel. Wat haar nog woedender maakte. Maar toen ze in Damme aankwam, kalmeerde ze en kromp ze helemaal ineen en zweeg.

Het was net marktdag en er was veel volk op de been. De vissers bouwden snel een soort tent met wat beddenlakens en stelden haar te kijk. En dan nog wel voor geld. Naar het schijnt verdienden die vissers op één dag meer dan dat ze anders op een maand verdienden!

De hele dag zat ze ineengedoken, haar hoofd op haar knieën. Geen enkele man, vrouw of kind kreeg maar één ogenblik haar gezicht te zien.

Maar op het eind van de dag keek de zeemeermin op en sprak die paar woorden: Damme zal vergaan, Brugge zal bestaan.

In die tijd was er nogal wat concurrentie tussen de twee steden. Die woorden vielen bij de Dammenaars dus wel in heel slechte aarde. Daarom besloten ze om de zeemeermin niet opnieuw vrij te laten, maar op te sluiten in een waterput in Oostkerke. En daar is ze van verdriet gestorven. Die put noemt vandaag trouwens nog steeds de Meerminnenput.

En of de voorspelling van de zeemeermin ook uitgekomen is? Jawel… Brugge is een grote, bloeiende stad geworden en daarbij vergeleken is Damme een piepkleine stad gebleven.

Het was een mooie dag. De vloot van Wenduine, die toen nog uit 42 vaartuigen bestond, lag in volle zee toen plots een zeemeermin opdook.

Een jonge visser had het gezien en riep naar zijn vader, wiens sloep vlak naast de zijne lag: ‘We moeten terug, ik heb een zeewijf gezien, we moeten meteen terug…’

Maar zijn vader geloofde het niet: ‘Een zeewijf, jongen toch! Hoog tijd dat je een lief zoekt aan wal, dat je er geen in ’t water moet zoeken!’

‘Geloof me toch, laten we meteen terugvaren, er steekt storm op’, riep de jongen, ondertussen al in hevige paniek.

‘Storm? Waar haal je ‘t? De wind staat goed…’

De jonge visser luisterde al niet meer naar zijn vader en vaarde zo snel hij kon terug naar de kust.

Hij was gered, maar toen zag hij hoe er donkere wolken kwamen opzetten en de wind de zee deed schuimen. En in die storm verging de boot van zijn vader en de andere boten vergingen één voor één.

     

          Zeemeermin op               facebook    

En dat zeemeerminnen de oermoeders waren van de zigeuners,

getuigt volgend verhaal opgetekend door Victor de Meyere.