TUSSEN WATER EN WIND

de eeuwige kruier

Omdat het soms eenzaam kruien was op dagen dat er mist hing over het water en de zee grijs, grauw, koud en gevaarlijk oogde, doken er verhalen op over een geest gedoemd om eeuwig zijn net door het water te slepen, de eeuwige kruier. Met zijn ene hand trok of duwde hij het net, met zijn andere hield hij een lantaarn omhoog om zich bij te lichten.

Voor eeuwig gedoemd...

 

Vroeger waren de nachten nog pikdonker en al zeker op maanloze nachten kon je op het strand en de duinen geen hand voor ogen zien. Op maanloze nachten was het op het strand en in de duinen nog echt duister en dan was een dolend lichtje al voldoende om er de gestalte van de eeuwige kruier bij te fantaseren. Een lichtje op het strand of vooraan in zee… het was nooit zeker, maar het kon, het kon altijd hém zijn… die spookgeest die gedoemd is te blijven kruien tot aan het einde der tijden.  

Tussen De Panne en Ghyvelde deed men er nog een schepje bij en was hij een reuzengrote man met een steeknet in zee. Het was een spookgeest die voor 99 jaar naar de kust was verbannen. Wanneer men met meerderen aan het vissen was, werd hij nooit gezien, enkel wanneer je je alleen in zee waagde. Als je hem dan tegenkwam, was het oppassen geblazen.

Zo vertelt Henri, een 68-jarige visser uit De Panne: ‘Er was eens een man die de eeuwige kruier achter zich aan kreeg. Voortdurend hoorde hij de geest roepen: ‘Hoe dieper, hoe meer… hoe dieper, hoe meer…’

En de man stapte steeds verder het water in, want toegegeven, wat hij hoorde, was waar: hoe dieper, hoe meer vis en garnalen...

Maar die man ging zo geweldig diep dat hij er niet meer uit geraakte.’

 

Liep het allemaal niet zo’n vaart en kwam je er met de schrik van af, dan kon je best naar huis keren, want je kon er wel op aan dat je die dag geen enkele garnaal meer zou vangen, want de eeuwige kruier had ze allemaal verjaagd.

Maar soms kon je hem ook ’s nachts zien.

Vroeger was er geen licht vervuiling en op maanloze nachten was het op het strand en in de duinen nog echt duister en dan was een dolend lichtje al voldoende om er de gestalte van de eeuwige kruier bij te fantaseren. Een lichtje op het strand of vooraan in zee… het was nooit zeker, maar het kon, het kon altijd hém zijn…

 

 

Deze legende vertelt hoe het gebeurde...

 

                                                                                           

                                                                                          

                                                                         Vissen op Pasen

De kerk legde vroeger het verbod op om te gaan vissen op kerkelijke feestdagen. Dit verbod was niet alleen ingegeven door gelovige of bijgelovige overwegingen, het was ook opgenomen in de reglementen van de Vrye Visschersneringe. Op Pasen werd nooit uitgevaren, want dan kon het gebeuren dat er een kind met een vissenkop werd geboren. Gaan vissen op Driekoningen hield eveneens risico’s in, want dan riskeerde je vissen te vangen met drie koppen. Op Goede Vrijdag de netten uitwerpen was al evenmin aan te raden, want dan zou men niets anders dan doodshoofden opvissen.   

Vissen op Hemelvaartsdag kon ook voor problemen zorgen. Zo wist een vrouw uit Mariakerke te vertellen dat de eeuwige kruier gegarandeerd met je meekwam als je op Hemelvaart durfde te gaan vissen. De eeuwige kruier ging almaar dieper in zee en de persoon die naast hem viste, volgde hem en verdronk. En de oude kruister Pharaïlde Pylyser uit Raversijde bevestigt dat: ‘In 1957 was er een groep kruiers op Hemelvaartsdag in zee gegaan. Ze hadden het gezang van zeemeerminnen gehoord en meteen rechtsomkeer gemaakt. Het weer sloeg zo snel om dat ze zelfs hun netten moesten achterlaten om veilig thuis te komen. Sinds dat dat gebeurd was, ben ikzelf nooit nog gaan kruien op Hemelvaartsdag.’  

Ook de zondagen waren linke boel. Wie de zaterdag na middernacht nog bleef vissen, zou worden gestraft. Na zijn dood zou hij zuchtend door de duinen moeten dwalen, tot zijn boete was volbracht.

En André Borny, een oude kruier uit de Vosseslag, vertelt dat hij van thuis nooit op feestdagen mocht gaan vissen. ‘Dat was omdat er in de tijd van mijn grootvader eens tien schiptjes hier voor de kust zijn vergaan in een storm, en dat was op een hoogdag! Daarom wilden mijn ouders niet dat ik op een hoogdag ging vissen.’

Hoe dieper, hoe meer

 

Wanneer je met meerderen aan het kruien was, moest je geen schrik hebben, dan werd hij nooit gezien. Het was enkel wanneer je je alleen in zee waagde. Als je hem dan tegenkwam, was het oppassen geblazen.

Zo vertelt Henri, een oude visser uit De Panne:

 

    ‘Er was eens een man die de eeuwige kruier achter zich aan kreeg. Voortdurend      hoorde hij de geest roepen: ‘Hoe dieper, hoe meer… hoe dieper, hoe meer…’

     En de man stapte steeds verder het water in, want toegegeven, wat hij      hoorde, was waar: hoe dieper, hoe meer vis en garnalen je kon vangen...

     Maar die man ging zo geweldig diep dat hij er niet meer uitraakte.’

 

Liep het allemaal niet zo’n vaart en kwam je er met de schrik van af, dan kon je best naar huis keren, want je kon er wel op aan dat je die dag geen enkele garnaal meer zou vangen, want de eeuwige kruier had ze allemaal verjaagd.

De eeuwige kruier te paard

 

Ook onder de paardevissers leefde de legende van de eeuwige kruier.

 

Zo trok een zekere Legein uit Koksijde op een dag met zijn paard Jakke naar zee.

Toen hij een tijdje bezig was, zag hij een andere paardenvisser die zwijgzaam zijn net trok.

Toen Legein hem riep en vroeg wie hij was, kwam er geen antwoord.

Legein was met die onbeleefde zwijgzaamheid niet gediend en leidde zijn paard in de richting van de onbekende. Maar ineens was die andere visser verdwenen, als opgelost in de duisternis.

 

 

En dit verhaal werd verteld door een man genaamd ‘de oude Begein’...

 

                                                                                                           

                                                                          Het palmtakje

Babbe Roere

 

De kruisters moesten ook altijd oppassen van Babbe Roere. Zij woonde in Ghyvelde, een buurdorp van Bray-Dunes en haar echte naam was Barbara Rohère. Over haar werd gezegd dat ze zich in een zwarte vogel kon veranderen die op de top van de mast van de boten ging zitten. Zag men de vogel op de mast zitten voor de afvaart, dan kon dit alleen maar onheil betekenen. In het ergste geval zou dat schip nooit meer terugkeren. Maar ook de kruiers durfde ze lastig te vallen en vooral op de vrouwen had ze het gemunt. Als ze in zee gingen kruwen op garnaal, kwam Babbe Roere vermomd als een kraai op de schouder zitten en raadde haar aan om steeds dieper te gaan, omdat daar meer te vangen was. Als de vrouw naar het gekras van de vogel luisterde, riskeerde ze te diep te gaan en te verdrinken. Maar zelf kende Babbe Roere naar het schijnt een tragisch einde. Toen ze op een dag was neergestreken op de mast van een IJslandse galette, schoot de kapitein haar met zijn tweeloop dood.

 

 

In de garnaalstoet in Oostduinkerke, als de reuzen hun sortie maken, zijn ze allemaal present...

De reuzin Stiene, de gernoarkruwster, en Ko en Liza, een vissersechtpaar uit Oostduinkerke stappen mee in de stoet, terwijl de oud-ijslandvaarders Pé en Mé, die niet meer zo goed te been zijn, het hele gebeuren langs de kant van de straat bekijken.

Ook Babbe Roere loopt mee. Ze heeft een zwarte raaf in de hand en is gekleed in de klederdracht van de vissersvrouwen van Bray-Dunes.

Tussen al dat feestgedruis loopt ook de eeuwige kruier. In het zondagse kostuum van de Duinkerkse IJslandvaarders. De gedaante die ooit de mensen angst inboezemde en gedoemd was om voor eeuwig en altijd zijn net te slepen, is nu verworden tot een toeristische attractie. Niets meer en ook niets minder.

 

 

‘Blote billen in’t water, garnalen weg’, zeggen de paardevissers wanneer ’s zomers het strand vol mensen ligt. Het opgewarmde kustwater jaagt de garnalen dan dieper in zee, maar toch zetten de paardenvissers uit, met heel wat kijklustigen in hun kielzog. Zelf gaan ze liever vissen buiten het seizoen, gekleed in dikke truien, gele oliejekker en noordwester op het hoofd. Ze houden ervan in zee te trekken wanneer het koud is en ze alleen zijn met hun paarden, het water en hun gedachten…

 

 

Voor Stiene stond Juliana Stiene Seys model. Deze vissersvrouw die leefde van 1879 tot 1952, is afgebeeld met een steeknet en een mand op de rug. Aan haar zij heeft ze de Kos waarmee ze 2006 trouwde en, raar maar waar, ook een kindje kreeg, Amadientje, een klein blond meisje gemaakt naar het evenbeeld van de dochter van Peter Dalle die de reus bouwde..

Bert Bijnens maakte het ontwerp voor Babbe Roere en Mathilde Verschaeven uit Zuydcoote, de laatste pijpenmutsmaakster uit de Westhoek, maakte haar ‘kaketuutje’, het ‘pupemutjse’ dat ze op haar hoofd draagt.  

 

Er was eens een man die met Pasen wilde gaan vissen, wat zijn moeder niet goed vond.

‘Op Pasen? Ben je niet beschaamd? Het is goed om een vloek op je nek te halen!’ riep ze.

‘Ach moeder, gewoon een netje vol, één sleeptje, niet meer…’

‘Dat komt niet goed…’ bromde ze kwaad.

Daarop had haar zoon geschamperd: ‘Wat een onzin! Waar wil jij in geloven?’

De moeder begon te wenen, maar hij trok zijn schouders op.

Toen hij wilde vertrekken, duwde ze zich ten einde raad tussen hem en de deur, maar hij trok haar weg en schamperde: ‘Luister eens, moeder, als je gelijk hebt en ik word inderdaad vervloekt, dan wil ik voor de rest van de eeuwigheid mijn net slepen langs de zee!’

De man is nooit weergekeerd naar huis...

 

Op een dag trok een garnaalvisser uit Nieuwpoort weer eens met zijn paard in zee om garnaal te vangen, in de richting van Oostduinkerke.

Die man die erg gelovig, en ook erg bijgelovig was, had een gewijde palmtak gevlochten rond de manen van zijn paard. Dat zou hem en zijn paard beschermen tegen de verraderlijke stroming op zee.

Hij was al een tijdje aan het vissen, wanneer hij twee mannen zag. Hij keek wat beter en zag dat het twee kruiers waren die hun net voor zich uit duwden. Maar ze waren zo diep in zee dat je amper nog hun hoofd zag. Dat moeten twee Fransen zijn, dacht de man. In Noord-Frankrijk kruien ze namelijk ook, maar dan zonder paard, daar duwen of slepen ze hun net altijd op eigen kracht.  

Terwijl hij dat aan ’t bekijken was, leken die twee mannen zelfs nóg dieper in zee te gaan. Het water stond al bijna aan hun mond.

Die gaan verdrinken, denkt de paardenvisser geschrokken en hij wenkt ze.

Die twee kruiers lijken even te twijfelen, lopen nog even door, zelfs nog wat dieper, maar dan keren ze en komen naar hem toe. Hun ogen staan verwilderd en bang.

‘Is er iets gebeurd?’ vraagt de paardenvisser.

De mannen krijgen eerst geen woord over de lippen, wijzen met hectische gebaren naar de zee maar eindelijk kunnen ze duidelijk maken dat ze de eeuwige kruier hadden gezien.

Beurtelings doen ze hun verhaal, en gelukkig verstond onze paardenvisser een mondje Frans, anders had hij er niets van begrepen.

‘Hij liep een stap of twintig voor ons uit…’ zei de ene.

‘En we konden niets anders dan hem te volgen…’ sprak de andere.

‘Ineens verdween hij onder water…’, zei de ene.

‘En het was alsof we niets anders konden dan hem volgen…’, de andere.

‘Het zou ons vergaan zijn zoals zovelen…’, weer de ene.

‘We zouden hem gevolgd zijn tot we verdronken…’, de andere.

‘Maar toen zagen we jou… en je wenkte ons…’ zeiden ze.

De paardenvisser knikte en wees naar de palmtak in de manen van zijn paard. ‘Zonder dit, waren jullie voor mijn ogen verdronken.’

De twee Fransen knikten dankbaar en gingen het water uit. Ze hadden er genoeg van. Met hun netten op rug keerden ze weer naar Bredune, vanwaar ze gekomen waren.  

 

 

Het verhaal over de eeuwige kruier en andere oude verhalen over garnalen in het boek Garnalen (gérnoars).