TUSSEN WATER EN WIND

de nekker

De nekker

 

Wellicht de oudste verhalen over waterduivels en -geesten zijn deze over de nekker of de nekkerman. In de waterrrijke polders deden de verhalen de ronde over dit gedrocht.

In ‘De Magische Zee’ van Van Hageland staat beschreven dat het wezen groene tanden had, uitpuilende ogen, een groen kleed droeg en zwemvliezen tussen vingers en tenen had. Ze hadden een buitengewoon groot hoofd en een pad onder de tong.

Een zeenikker had dan ‘een kleine, dikke gestalte met een ronde schubbenmuts op, maar overigens geheel kaal van hoofd en met een gezicht dat meer van een karper had dan van een menselijk wezen. Het had armen en benen met zijdelingse vinnen. Het droeg een soort rok geweven uit zeegras dat rond de romp was vastgebonden met een gordel van koraal.’  

 

Je wist nooit hoe en waar je de nekker zou ontmoeten en óf je hem ooit zou ontmoeten, maar vele zeelui hadden wel ooit in hun leven zijn stem gehoord.

In Blankenberge was dat in de tijd dat er nog geen haven was, voor 1870 dus, en de boten nog op ’t strand lagen en dus de vloed moesten afwachten om terug zee te kiezen...

 

Het was de taak van de scheepsjongen, het lavertje, om de bemanning te waarschuwen wanneer het hoog water was en ze konden vertrekken. Dan moest hij naar het huis van de schipper en de matrozen lopen om ze wakker te maken. Daarom werd zo’n jongen ook het ‘opblijvertje’ genoemd.                         

Het gebeurde wel eens dat de nekkerman voor lavertje ging spelen. Uren te vroeg kwam hij roepen dat het tijd was om op te staan. De schipper hoorde dan een gebons op de deur en een stem die leek op de stem van de scheepsjongen: ‘Wekke, wekke, wekke, de wind staat in mijn nekke!’

Wanneer de schipper in de gaten had dat hij gefopt was, nam hij een flesje wijwater en terwijl hij wat druppels door het raam sprenkelde, riep hij: ‘In Gods naam, ga weg!’ Daar schrok de nekkerman van. Hij trok zijn staart tussen zijn poten en kermde:

In potsnaam, laat me gerust!’

En de schipper en zijn bemanning konden nog even gaan slapen…

 

Beschermspreuken

 

De nekker verschool zich liefst onder brugjes en daarom was het aangewezen om volgende beschermspreuk uit te spreken, telkens als je een brugje over moest: Pieter Peers,

de brugge ligt noes en dweers.

 

Ook het opzeggen van het Sint-Jansevangelie was een beproefde remedie en hielp zelfs als je oog in oog met de nekker kwam te staan.

De waternekker had echter niet altijd kwaads in de zin en wilde wel eens alleen maar wat plagen. Zo wist een zekere Leon uit Koksijde te vertellen wat de waternekker riep naar een man die een broek droeg met lappen op:

Zet ik het hier, ’t is lap op lap; zet ik het daar, ’t is tap op tap. En als je niet weet waar zetten, zet het op je gat.

 

In potsnaam

Op sommige plaatsen aan de kust wordt nog steeds ‘potdomme’, ‘potverblomme’, ‘potverdikke’ en ‘potdorie’ gebruikt als vloek. Men kan zich hier terecht afvragen of de reden hiervoor te zoeken is in het gegeven dat men de naam van God niet wil onteren, ofwel uit schrik om onheil over zich uit te roepen...

Of toch een verre, vage verwijzing naar de strapatsen van de nekkerman?  

 

Ook in Nieuwpoort was de nekker gekend.

 

Als de visserssloepen naar zee moesten en op de wind lagen, was het de stuurman die, als de wind goed zat, zijn bemanning wekte.

‘Wekke, wekke, wekke… de wind staat in mijn nekke!’ riep hij dan, na aan de voordeur te hebben geklopt.

De man die dat dan hoorde, riep terug: ‘Hoe sta je?’

‘Met mijn aangezicht naar de kaaie!’ riep de stuurman.

Dat was het goeie antwoord, want vermits de meeste straten van Nieuwpoort waar de vissers woonden in noord-zuidrichting waren aangelegd, stond de wind dan zuid of zuid-west, wat goed was voor de sloepen om uit te varen en in zee te steken.

Het gebeurde wel eens dat er mensen waren die een ander wilden foppen en kwamen roepen: ‘Wekke, wekke, wekke… de wind staat in mijn nekke!’

Wanneer de matrozen dan buitenkwamen, voelden ze dat de wind niet goed zat en steevast geloofden ze dan dat het de nekker was die hen bedrogen had.    

 

En dit verhaal vertelde mijn grootmoeder...

 

Zij had het op haar beurt gehoord van haar grootmoeder, mijn  betovergrootmoeder dus. Ik weet niet wat ervan waar is, maar op een dag, toen zij nog een meisje was, heeft zij niemand minder dan de nekkerman ontmoet, op het strand van Blankenberge naar Wenduine…                                                                                        

Haar moeder had haar gevraagd om wat vis te brengen naar een tante. Het was niet de gewoonte om langs ’t strand te lopen. Je liep beter op het zandpaadje achter de duinen, maar ze verkoos dus om langs de zee te wandelen.   

Opeens was er een man naast haar komen lopen. Een doodgewone man. Vriendelijk vroeg hij of hij een eindje met haar mee mocht lopen.

Dat was oké voor haar.   

‘Kom je van ver?’ vroeg hij.

‘Ik ga naar mijn tante’, zei ze.

‘En wat heb je daar in die mand?’

‘Wat stokvis en een paar pladijsjes…’

‘Zal ik het voor je dragen?’ stelde hij voor.

Na even twijfelen knikte ze en gaf ze hem de mand, want ze begon al wat met haar voeten te slepen want lopen in het mulle zand is best lastig.  

‘Kom op mijn schouders zitten’, stelde de man voor.

Daar moest ze even over nadenken, maar ze klom dan toch op zijn schouders, waarop de man weer rechtop ging staan.

O, wat is hij groot, dacht ze, maar ze vond het wel leuk.

Maar dan ineens leek het of hij nog groter en groter werd. En de man riep: ‘Wekke, wekke, wekke… jij zit in mijn nekke…’

Ze schrok heel hard, want nu wist ze wie haar op zijn schouders had getild en ze begon luid te gillen.

Maar de man lachte nog eens van ‘Wekke, wekke, wekke, jij zit hoog in mijn nekke…’ en toen hij dan ook naar het water begon toe te stappen, plaste ze van schrik in haar broekje.

Het sijpelde langs haar benen… in zijn nek…

‘Potverblomme’, riep de Nekkerman en hij liep nog dieper de zee in.

Ze krijste en schopte, maar de man liep steeds dieper.

En toen wist ze ineens wat ze moest doen. Ze maakte een groot kruisteken en riep daarbij: In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest…

De nekker bleef meteen stokstijf staan en nog voor ze Amen kon roepen, gooide hij haar met een plons in het water.

Snuivend en snakkend naar adem kwam ze boven.

Ze keek rond en zag niemand meer. De man was verdwenen. En het mandje met vis kon ze nog net grijpen voor het de zee in dreef.  

Kletsnat en wenend is ze thuisgekomen.

Dat verhaal heeft mijn overgrootmoeder mij verteld… maar of het waar is of niet, daar heb ik het raden naar. Ze kan het best verzonnen hebben, want ze wist maar al te goed hoe graag ik naar verhalen luisterde…  

Ze leefden aan de zeekant, maar ook in poelen, beken en moerassen. En zeker op die plaatsen waar het water ruiste, borrelde of kolkte, kon je hem aantreffen.

Bij nieuwe en volle maan en bij dreigend onweer kwamen ze te voorschijn en plasten zo hard in het water, dat je ze tot ver in de omtrek hoorde.