TUSSEN WATER EN WIND

over hanen en honden

Wat hanen gemeen hebben met honden… de lezer zal zich dit terecht afvragen. Het zijn allebei dieren die nogal van katoen kunnen geven. Hanen kraaien ’s ochtends de mensen wakker en honden blaffen dag en nacht als ’t hen zo uitkomt. Maar het verband is elders te zoeken… de bindende factor is de gemeente De Haan.

Namen

 

Er zijn niet veel gemeenten aan de kust waarvan men nog nauwelijks of niet weet te vertellen waar ze hun naam haalden, van de meeste is het tamelijk duidelijk. Vaak heeft het iets met duinen, strand of zee te maken, zoals Zeebrugge, Blankenberge, Duinbergen... dat oorspronkelijk Zeebergen had moeten noemen.

 

Van een aantal dorpen en steden is de naam in het verleden te zoeken. Oostende en Westende bijvoorbeeld waren het oostelijke en westelijke dorp op eiland Testerep, Ter Streep, wat door verzanding en een dijk bij het vasteland werd getrokken.

Nieuwpoort is afkomstig van novus portus, ‘nieuwe haven’ en Knokke komt van het oude plekje Sinte Catelyne ten cnocke, een kapelletje dat op een uitspringende landtong lag.

Raversijde en Koksijde heetten vroeger Raversyde en Koksyde, waarbij de uitgang Yde inham, ankerplaats of kreek betekent. Zo lag Raversijde, aanvankelijk Walraversijde geheten, aan de inham van het riviertje de walraf.   

 

Maar soms is er een legende verbonden aan de naam en aan onze kust is De Haan daar wel het mooiste voorbeeld van. Van de vele versies van die legende is het echter moeilijk te kiezen welke de mooiste, en al zeker niet welke de juiste is…  

 

                                                                                 De kraaiende haan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

        

 

In een andere versie gaat het om een visserboot die stuurloos was geworden en was afgedreven naar de duinen van Klemskerke. En omdat de bemanning van daaruit een haan had horen kraaien, noemden ze die plek De Haan.  

Maar ook volgend verhaal lijkt geloofwaardig…

 

 

                                                                               De Franse kok

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een ietwat prozaïscher uitleg is dat er op die plek in de duinen van Klemskerke kippen werden gekweekt. Dat lijkt inderdaad het geval te zijn geweest, want daar woonden de ‘kommiezen die aangesteld waren om op ’t strand een oogje in ’t zeil te houden en te verhinderen dat de plaatselijke bevolking strandvondsten pikte. Zij woonden daar met hun gezin en, waarom ook niet, hielden er kippen die dagelijks voor een eitje zorgden. Daar liepen ook wel een paar hanen tussen en de vissers die ’s ochtends voorbij de kommiezekoten vaarden, hoorden die beesten wel eens kraaien.

 

 

 

 

Net over de grens, in Zeeuws-Vlaanderen ligt het charmante strandplekje Cadzand. En ook over deze naam wordt een verhaal verteld...

 

 

                                                           Het wiegje en de kat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het heeft geen haar gescheeld of Duinbergen had Zeebergen genoemd. In 1904 had de befaamde Duitse architect en stedebouwkundige Stübbe de plannen klaar om deze badplaats te laten aanleggen en toen deze door het schepencollege ter goedkeuring werden ondertekend, was gekozen voor de naam Zeebergen, maar uiteindelijk leek Duinbergen een betere en meer geschikte naam.  

De kip of het ei?

Op oude kadasterkaarten staat de herberg ‘Den Haene’, gelegen langs de ‘Haenewegh’. Die herberg staat vermeld als een ‘cabaret’ en is te situeren aan de huidige Grotestraat. Of de herberg naar het dorp werd genoemd, of het dorp naar de herberg, is echter niet meer te achterhalen...

Maar zoals zo vaak grijpen de écht gebeurde verhalen nog het meest naar de strot... Waarom dus deze bundeling verhalen en vertelsels niet afsluiten met een waar gebeurd verhaal? Een verhaal dat zich eveneens afspeelde in De Haan. Een verhaal over de hond van mijn grootvader Isidoor. Het gebeurde ergens rond de jaren veertig, in het begin van de oorlog, toen mijn moeder nog een klein meisje was.                                                                                               

Mijn grootmoeder langs mijn moeders kant had iets met honden. Van de opsmuk in haar woonkamer herinner ik me behalve het kruisbeeld op groene velours onder glas en de twee art decovazen die nu bij mij een plekje kregen, nog twee honden: de ene in brons, de andere in witte, langharige pluche. De ene in brons had aan zijn staart een een haakje met daaraan een ketting waaraan een zakhorloge hing. Die staart is er om één of andere reden afgevallen, wat heel erg zonde is, maar de hond en de ketting met zakhorloge staan nog ergens op zolder. Het witte, langharige, pluche exemplaar leek in mijn kinderogen net een echt hondje. Het kleine tongetje in vilt was bloedrood en mijn grootmoeder vertelde me talloze keren dat het het Russische hondje Laïka was dat in de jaren zestig de ruimte was ingestuurd.

 

Naast dat bronzen en witte pluche exemplaar, hadden mijn grootouders ook een levende hond. Een straathond van het gemeenste soort. Zwart, kortharig en hij kon blaffen als de beste. Wat niet slecht was, want het beest deed vooral dienst als waakhond. Maar bijten deed hij niet.

Hij zat vast aan een ketting waar de kelder uitgaf op de tuin. Er was een gat gekapt in de muur en de stenen van die muur waren helemaal glad en afgesleten door al die keren dat die hond van binnen naar buiten en van buiten naar binnen was geglipt.

Die hond had geen naam. Of hij werd gewoon ‘de hond’ genoemd. De noend’.

 

Maar het gaat niet over de hond die ik nog bij mijn grootouders geweten heb, maar over de hond die ze hadden toen mijn moeder nog een klein meisje was. Daarvoor moeten we dus terug naar de jaren veertig. De hond die ze toen hadden was oud en versleten door het vele waken, het vele blaffen en door de ouderdom. En ziek.

En een ziek beest hield je niet langer in leven. Dat was vroeger zo. In die tijd liep je daarvoor ook niet even langs bij de dierenarts, maar zocht je andere manieren. Niet altijd de meest elegante.

Bovendien wilden mijn grootouders mijn moeder, die enig kind was, sparen. Mijn grootmoeder had haar pas op haar veertigste gekregen na een vreselijk zware bevalling en daardoor werd zij wel een beetje verwend, een beetje overbeschermd ook. En het dier ter plaatse afslachten wilden ze ten opzichte van hun kleine meisje niet doen.

Een voor de hand liggende methode was verdrinking. En omdat de zee maar een kwartiertje ver stappen was...

 

Mijn grootvader stapte dus door de in aanbouw zijnde chique villawijk naar zee, in zijn versleten ribfluwelen broek, zijn grijze werkvest en zijn doorlopen, vilten pantoffels. In zijn ene hand de hond aan een ketting, in zijn andere hand een jute zak en een stuk touw.

Hoe het er precies op het strand is aan toegegaan, weet ik niet precies, maar één ding is zeker: de jute zak, wellicht zo’n patattenzak, werd over de kop van de hond getrokken, de zak werd dichtgebonden en in zee geworpen. Hoe luid de hond blafte, weet ik niet, hoeveel hij tegenspartelde, weet ik ook niet. Hoe ver mijn grootvader in zee is gegaan en hoe nat zijn pantoffels en zijn broek waren, evenmin.

 

Ik ken alleen het einde van het verhaal. Nog voor mijn grootvader weer thuis was gekomen, stond de hond, druipend en nat, weer voor de deur.

De verdronken hond

Het gebeurde op een stormachtige nacht. De golven beukten op het strand. De kustbewoners luisterden angstig naar het gehuil van de wind en het gebulder van de golven. Maar ineens, temidden al dat tumult, hoorden ze het gekraai van een haan.

Maar het was niet zomaar een gekraai, het leek wel op hulpgeroep. En het kwam uit de richting van de zee.

Een paar mannen liepen erheen en zagen dat er een schip in moeilijkheden was. Ze duwden een paar boten in het water, roeiden doorheen de schuimende golven en met bovenmenselijke inspanningen geraakten ze bij het schip. Ze konden de bemanning redden en natuurlijk namen ze ook die haan mee in hun boot. En daarom werd het klampje huizen op die plek dan ook De Haan genoemd.

Een Oostendse apotheker trof tijdens een jachtpartij op duinkonijnen een lichaam aan op het strand. Een drenkeling die echter nog bleek te leven, maar zich niets meer kon herinneren van zijn vroeger bestaan. Hij leed aan een totaal geheugenverlies en bij overmaat van ramp had hij ook geen paspoort of ander document bij zich. Het enige wat hem eventueel had kunnen identificeren was een haan die op zijn borst stond getatoeëerd.

Men vermoedde dat de man, die Frans sprak, als kok had gewerkt op een schip, om de een of andere reden in het water was gevallen en zich, drijvend op een stuk hout, had weten te redden.

Een restaurant wierf de drenkeling aan als kok, waar hij goeie diensten leverde. Omdat hij altijd het woord ‘kok’ verwarde met ‘coq’, het Frans voor ‘haan’ en men ook rondvertelde dat hij een haan op zijn borst had staan, zei men steeds vaker vaker ‘we gaan naar de kok’, of ‘we gaan eten bij den haan’, en zo werd niet alleen het restaurant, maar ook het hele gehucht daar in de duinen van Klemskerke ‘De Haan’ genoemd.    

 

Op een dag stond er een vreselijke storm en het water was tot aan de eerste huizen van het dorp gespoeld. En ramp o ramp, de moeder had te laat gezien dat de zee het wiegje met haar kind had meegetrokken.

Het kind krijste dat horen en zien verging, de moeder van het kind stond te huilen en te roepen en de mensen van het dorp stonden hulpeloos te kijken naar het wiegje dat wild op het woeste water dobberde.

Maar toen de mensen heel goed keek, met hun ogen tot spleetjes samengeknepen, zagen ze dat het kind gezelschap had. Er zat een poes op de wieg en die poes sprong voortdurend heen en weer en hield zo het wiegje in evenwicht.

Toen vele uren later de wind ging liggen en de golven bedaarden, spoelde het wiegje, en het kind en de kat, op het strand aan. En wonder, het kind was nog poederdroog. Geen golfje was in de wieg geklotst, geen druppel water was op het kind gespat. Die kat had daarvoor gezorgd…

Maar zoals dé waarheid vaak in heel veel hoekjes en kantjes kan worden gezocht, zou Cadzand misschien wel genoemd zijn naar de ‘Chatti’, een Germaanse stam die in het begin van onze tijdrekening onze kusten onveilig maakten, en ook wel de ‘Katten werden genoemd.