TUSSEN WATER EN WIND

roeschaard en ander zeeduivels

De vissers zeggen dat ze nooit bang zijn. Zelfs bij het vertellen van de strafste verhalen over storm en grondzee en dagenlang varen doorheen dikke mist, pochen ze dat ze nog nooit angst hebben gekend. Maar af en toe hoor je een ander geluid en vertellen ze over die ene keer dat ze heel erg bang zijn geweest of dat ze de zeeduivel hebben gezien.

De zeeduvel gezien

 

‘Storm? Mistig? Wij waren daar niet bang van’, zegt de tachtigjarige Henri. ‘We hadden geen tijd om bang te zijn. Als ’t stormde, waren dat nochtans grote zèès, immens hoge golven, maar we waren daar niet bang van. Als ’t slecht weer werd, zeiden we dat we de duivel uit de zee gingen jagen… we gaan de storm ‘afrijden’, zeiden we, de storm afrien.’

 

Maar soms gaat de zee zo wild te keer en maken ze zo’n vreselijke zaken mee dat vissers niet meer op zee durven gaan. Ze hebben de zeeduivel gezien, zeggen ze dan.   

 

Vroeger werd gezegd dat vissers die de zeeduivel hadden gezien, best niet meer gingen varen, want dan zou de dood zich ermee gaan moeien. Een scheepsramp, een ongeluk aan boord of de verdrinkingsdood…

 

Het onheil kon echter voorkomen worden wanneer

de vrouw van de visser tijdens de vrijdagmarkt

ging bidden bij het kapelletje van Sint-Idesbaldus

in Koksijde, Baldjes Kruis.

 

e moest kruiden als maretak en donderkruid

meehebben en die, na te hebben gebeden

bij het kruis, in zee gaan gooien terwijl ze

een verwensing naar de zeeduivel riep.

 

Tot slot van het ritueel moest de vrouw een boord van haar rok snijden en aan het kruis binden. Was de visser nog niet getrouwd, dan moest hij een lief zoeken die het ritueel voor hem wilde voltrekken.                     

Sommige zeelui maken zo’n vreselijke zaken mee dat ze nooit meer op zee durven’, vertelt Theophiel, een oude visser uit Heist. ‘Ze zijn zo bang geweest dat ze genoeg hebben van de zee. Ze hebben de zeeduvel gezien, zeggen ze dan. Als ze dan tóch weer gaan varen, blijven ze bang en dat zie je aan hun manieren: ze houden zich angstvallig ‘vast als ze op het dek lopen. En nog meer dan voor anderen geldt het motto ‘een hand voor jezelf en een hand voor ‘t schip’… een hand om te werken en een hand om je vast te houden.’

 

Gilbert, een visser uit Oostende, vertelt het zo: ‘Een visser die in heel slecht weer heeft gezeten of een schip heeft helpen verliezen, zegt dat hij de zeeduivel heeft gezien. Als hij dan binnenkomt zegt hij dat hij nooit meer in zee gaat. Maar ’t zijn uitzonderingen die het dan echt stilleggen. Ik ken vissers die een schip hielpen verliezen, die er zelfs twee hielpen verliezen, maar toch weer in zee zijn gegaan.’        

                  

Meer verhalen verteld door de vissers zelf in het boek Naar Island.

Een malfiet

 

Wanneer er weinig werd gevangen of er voortdurend gescheurde netten waren, of andere tegenslag, werd dat ook wel eens op de rug van iemand van de bemanning geschoven. Die werd dan een malfiet genoemd. Ook wanneer de boot averij opliep aan de korre of de tuigage of wanneer er niets of weinig  werd gevangen werd , werd dat ook wel eens op de nek van de zeeduivel geschoven. Zo pende Ary Sleeks op wat gebeurde op een van de laatste Oostendse zeilschepen, kort na de eerste wereldoorlog…

Het woord malfiet komt van het Franse ‘malfait, ‘die iemand kwaad doet’: een persoon die ongeluk meebrengt of de oorzaak is van een slechte vangst.

 

Het betekent ook stormvogeltje.

Die vogels werden malfietjes genoemd.

Die voorspellen storm als ze rond het schip cirkelen.  

‘Als je van die malfietjes en mallemokken rond het schip zag vliegen, dan wist je al hoe laat het was… dan werd het zeker en vast slecht weer’, vertelt de negentigjarige IJslandvaarder Berten Deckmyn.

‘Het mag het schoonste weer van de wereld zijn, de zee een platte spiegel en geen zuchtje wind, als de mèèuwen beginnen te ruttelen en te kriesschen, ‘s anderendaags had je ervan! En als de Genters, de Jan-van-Genten, zo geweldig duiken, dan mag je er zeker van zijn dat er slecht weer op komst is.’

 

Een ‘mallemokke’ is een Noordse Stormvogel.

In ’t Oostends is ‘etwien mé marmokkepootn’, iemand die met kromme voeten loopt of op een ander zijn voeten trapt.

 

Roeschaard

 

Niet alleen op zee, ook op het strand en in de duinen, en overal waar water was, in poelen, moerassen, meren en beken kon je een watergeest of -duivel tegenkomen. De ene waren bloeddorstig, de andere wilden alleen maar wat plagen, maar allemaal toonden ze zich in diverse gedaanten…

 

Zo werd de kwelduivel Roeschaard aan de hele Vlaamse kust, maar vooral bij de vissers aan de Oostkust, gevreesd. Hij liet zich in tal van gedaanten zien. Zo werd gezegd dat hij ‘een vuile rosse baard had en groene ogen als sterke lantaarns en duivelshoornen’. Hij placht langs een zijde van het schip aan boord te klimmen en liet daarbij het schip zo sterk slagzij maken dat het dreigde te zinken. Het monster kon evenwel ook tussen de vis zitten, wanneer het net werd bovengehaald. Met een verschrikkelijke lach scheurde hij het net open en dook daarna terug in zee.  

 

Je kon Roeschaard ook in de duinen of op het strand ontmoeten, wanneer het donker werd. Hij sloop rond in de gedaante van een hond met een rammelende ketting achter zich aan, zoals verteld in het Jaarboek van 1874 van het Conscience-Genootschap van Blankenberge. Daarin werd de sage van Roeschaard, die tot dan toe alleen een orale traditie kende, voor de eerste maal opgetekend. Het verhaal wordt gesitueerd in Blankenberge, in het jaar 1791. Dit kan best een willekeurige datum zijn geweest die diende om de geloofwaardigheid te verhogen, maar misschien was het een jaar dat er inderdaad, net als in het verhaal, een grote storm had gewoed.

                                                        De legende van Roeschaard

Lang geleden stond aan de voet van de Blankenbergse duinen, oostwaarts weg, een hutje, waarin een oud vrouwtje woonde. Ze had een bochel, liep wat krom en mankte, had een zwarte omslagdoek over haar schouders en een versleten zwart kanten mutsje op haar hoofd. Niet dat veel mensen haar ooit hadden gezien, want niemand durfde in de omtrek van haar woonst te komen. En al zeker niet ’s nachts, want er werd gezegd dat ze een toverheks was.

Wanneer de mensen er toch voorbij moesten, maakten ze snel een kruisteken. Je kon maar nooit weten. En zelfs al was ze geen heks, het kon nooit kwaad… een kruisteken was snel geslagen!

Op een nacht – het was in het jaar 1791 ­­– stak er een zware storm op. De wind loeide als een hel vol woedende duivels. De zee schuimde en schrokte grote happen duin en strand met zich mee. En toen de storm was geluwd, deed het gerucht de ronde dat de hut van het oude vrouwtje onder het zand was bedolven.

Men wist dus ook wat er met het oude vrouwtje was gebeurd. Maar treurig waren ze er niet om. Wel integendeel! Ze maakten er zelfs grapjes over. Toverheks of niet, nu kon het oude vrouwtje hen niets meer maken…  

Een groepje koene kerels ging naar de plek waar het hutje had gestaan en ze begonnen met grote schoppen zand te ruimen. Eens kijken wie en wat ze zouden vinden. Die toverkol had misschien wel een schat in haar hut verborgen, of toch op zijn minst wat geldstukken bewaard.  

Maar die gasten waren nog maar goed en wel begonnen, of er verscheen een hond. Een zwarte hond. ‘Roes, roes…’ baste hij. ‘Roes, roes!’ Wat in de taal van de streek ‘weg, weg!’ betekent.

De mannen schrokken, maar gingen toch verder met graven.

‘Roes, roes…’ blafte de hond opnieuw en toen zagen de mannen hoe het beest ineens begon te groeien en hoe zijn ogen vlamden. En wanneer hij ook nog eens zijn tanden liet zien, zetten ze het op een lopen. En telkens wanneer ze achterom keken, zagen ze dat de hond maar bleef groeien en groeien.

Die hond is natuurlijk niet blijven groeien, maar hij is blijven dolen langs de kust en waar hij maar kon, jaagde hij de mensen de stuipen op het lijf. De mensen noemden het monster Roeschaard en iedereen was er doodsbang van.

   

Jarenlang bleef dat spelletje duren, het vergalde het leven van de Blankenbergse vissers, maar eindelijk kwam er uitkomst.

 

Er kwam een vreemdeling in het dorp wonen en tot grote verwondering van iedereen, was dat op een boogscheut van de plek waar ooit het hutje van het oude vrouwtje had gestaan. Bang was die man blijkbaar niet. Hij beweerde zelfs dat hij de duivelse kracht van Roeschaard onschadelijk kon maken.  

De vissers geloofden er niet veel van, maar gingen toch naar hem toe, want van dat beest hadden ze wel schoon genoeg.

Het volstond om van naam te veranderen, zei de man. Iedereen van jullie die op zee gaat, zal ik een bijnaam geven.

En hij voegde de daad bij het woord.

Een visser die splinternieuwe klompen aan zijn voeten had, besprenkelde hij met een kwast wijwater dat hij uit de doopvont van de kerk had gejat en hij sprak de volgende woorden uit: Ik doop u, en Roeschaard, die lelijkaard, kere zich om, romme, domme, dom… je naam is Kloefe.

En een jongen met zware acne, doopte hij zo:  Ik doop u, en Roeschaard, die lelijkaard, kere zich om, romme, domme, dom… je naam is Puste.

Een jongen die scheel keek, werd ‘de schelen’ en zo gaf hij iedere visser een lapnaam. Klakke, Schete, Tsjiko, Puptje, Neuze, Krommepies en Jan Poep…

Sindsdien heeft Roeschaard geen toeren meer uitgehaald.

Maar of hij nog ronddoolt, dat blijft de vraag. Dat weet niemand. Die wilde zwarte kat met haar schichtige, gele ogen, die zich enkel ’s nachts laat zien… dat oude vrouwtje met het zwarte sjaaltje en een vetknobbel op haar neus… pas maar op, je weet maar nooit…  

 

 

Het geven van een bijnaam of een ‘laptjenaam’ was een gebruik aan de hele kust. Vroeger werd hardnekkig geloofd dat het bescherming zou bieden tegen de gevaren op zee. Het verhaal deed zelfs de ronde dat je nooit je echte naam, maar wel je lapnaam moest roepen als de zeeduivel Roeschaard vroeg hoe je heette. Zo kon je hem verschalken.

Maar in feite had het geven van een ‘laptjenaam’ vooral een praktisch nut. De vissersbevolking was een zeer gesloten gemeenschap en had weinig contacten buiten het eigen milieu, zodat de jonge mensen van de vissersfamilies heel vaak onderling trouwden. Zowat iedereen was familie van iedereen en niet alleen dezelfde familienaam kwam veel voor, ook waren toen niet zoveel voornamen in omloop als nu. Het was dus handiger om iemand met zijn bijnaam te noemen. Zo wist je meteen over wie het ging.

 

Roeschaard ik doop je…

 

Ook wanneer het oorspronkelijke verhaal van Roeschaard was vergeten, bleef het gebruik van het het geven van een bijnaam, het dopen, bestaan. Bij de eerste zeereis kreeg de scheepsjongen steevast zo’n lapnaam. Sommige schippers voerden zelfs het ritueel daarbij uit. Ze besprenkelden de jongen met zeewater bij het uitspreken van de spreuk hierboven reeds vermeld. In de loop van de tijd ging de link met het verhaal echter verloren en de oorspronkelijke tekst ‘Roeschaard ik doop je…’ verwaterde in iets onbegrijpelijks dat door Juul Tavernier als volgt werd opgetekend:

 

    De olme dol, de versche dol,

   Den Edelbot, den Advocaet

    Waer ’t water in gaet, uw naam is…

 

Ook werd volgend doopvers gebruikt, wat minder no-nonsens, maar ook hier is het verband met Roeschaard ver zoek:   

    Pústekop ik doop je,

   Het water beloop je,

   Het water begiet je,

   En Pustekop heet je.

 

Ossaard

Roeschaard werd ook wel eens Ossaard genoemd.

Voor de vissers gold dat Ossaard een offer eiste. Bij de eerste sleep moest één vis, de eerste gevangen vis, weer in het water worden gegooid. Veel was dit niet, maar deed de visser dit niet, dan kon het gebeuren dat wanneer de visser met zijn vangst huiswaarts keerde, hij ineens geruis achter zich hoorde, een gehijg in zijn nek en hij een zware last op zijn schouders voelde. Als hij wilde schreeuwen, geraakte er geen woord uit zijn mond. Als hij wilde weglopen, wogen zijn benen als lood en zijn voeten leken weg te zakken in de zuigende grond en voor zijn ogen hing een dikke mist. Hij wist niet eens hoe lang het allemaal duurde. Een paar minuten, een kwartier of waren het uren? Maar feit was dat wanneer Ossaard hem eindelijk met rust liet, hij zijn volledige vangst kwijt was gespeeld.

 

In Knokke zou Ossaard gewoond hebben in een bosje op het Hazegras. Daar belette hij de paarden om op stal te gaan, verdroogde hij de melk van de koeien en maakte hij de staldeuren los en joeg het vee naar buiten.

 

Ook in Zeeuws-Vlaanderen was hij gekend. In Sluis werden de kinderen bang gemaakt met het verzinsel dat hij in de bodemloze Stierskreek tussen de stad en Heille woonde. Overdag was het er al niet veilig, maar ’s avonds moest je er helemaal niet komen, want dan kon je er zeker van zijn dat Ossaard ineens achter je liep, op je schouder sprong en je tegen de grond duwde. Het was een ruig monster met een dikke kop en akelige ogen.

Als je dan toch voorbij de Stierskreek moest, dan sprak je best rustig en kalm en deed je alsof je niet wist dat hij op je loerde. Als je alleen was, zong je best een beetje zachtjes voor je uit.

Wat je nooit mocht doen, was zijn naam noemen. En al zeker niet roepen, want dan kwam hij en bleef hij in je nek zitten tot het weer licht werd…

 

 

 

Vele verhalen over watergeesten tonen duidelijk aan dat ze verteld werden om kinderen bang te maken en ze weg te houden van de waterkant. Zo wilde men voorkomen dat ze spelenderwijs te dicht bij een beek of een poel kwamen, erin vielen en verdronken.

 

De verhalen over waterduivels hebben tegenwoordig hun functie verloren. Kinderen hoeven niet meer bang te worden gemaakt voor Kalle die hen met een haak de regenton insleurt of voor Roeschaard die vanuit een beek naar hen loert. Want ze spelen niet meer bij sloten en grachten en in de tuin staan allang geen open regenputten meer.

Ook de jonge vissers zijn de verhalen over de zeeduivel vergeten.

Maar in de de folklore is hij nog te bekennen. In de jaarlijkse garnaalstoet in Oostduinkerke, de laatste zondag van juni, paradeert Roeschaard in een kar langs de straten. En hij komt nog eens springlevend te voorschijn op het Sint-Maartensfeest in Koksijde, waar hij Pietje-Pek die wat later op een reusachtige stapel hout wordt verbrand, begeleidt. Maar iemand bang maken… dat is hij allang verleerd.

                                                    Die godverdomse malfiet!

 

De boot was op de gewone visgronden gekomen, de netten werden uitgeworpen en het slepen begon. Na een tijd werd de korre binnengehaald. Maar er zat geen enkel visje in het net. En de tweede sleep was al even flauwtjes.

‘De duivel zit aan boord!’ vloekte de schipper, ‘die godverdomse malfiet!’ en daarop gaf hij bevel aan de bemanning om de kledingstukken die ze droegen om te keren, om zo niet door de duivel herkend te worden.

Ze namen elk een ijzeren staf of een schop en de klopjacht op de duivel begon. Op elk deel van de boot werd gehamerd en geslagen. Op alle kepers en balken, planken, windassen en katrollen. Geen plekje aan boord sloegen ze over.

Daarop riep de schipper heel luid (zo luid dat ze het ook in de hel konden horen) dat er op die plek toch niets te vangen viel en ze terug naar Oostende zouden zeilen. Maar dat deed hij alleen om de zeeduivel te bedriegen…

Ze voeren helemaal niet naar Oostende terug.

Ze voeren gewoon een eind weg, en keerden dan voorzichtig terug.

Ze gooiden opnieuw hun net uit en haalden ze na een tijd weer boven.

Er zaten wel twintig bennen vis in de kuil!