TUSSEN WATER EN WIND

dwaallichten en doodskaarsen

Pikduistere nachten, we kunnen het ons haast niet meer voorstellen. Niet alleen de steden en dorpen worden verlicht, indirect daarbij ook de hemel boven de bossen, de weiden, de rivieren, de havens. Maar beeld je eens in dat de hemel compleet donker is en je op stap moest langs een duister paadje. In je hand draag je een petroleumlamp. De vlam verlicht een paar meter en dan verzuipt ineens de wiek, is er enkel het licht van de maan. Maar dan verdwijnt ook die achter een wolk…

Dwaallichtjes

 

Toen het duister nog duister was en de mensen wel eens ’s nachts te voet langs donkere weiden of bossen op pad moesten, zagen ze soms vreemde lichtjes die hen de stuipen op het lijf jaagden.

Zo vertelt de oude paardenvisser, de ‘rosten durang’, dat hij heel erg bang van die lichtjes was. ‘Normaal gezien was ik van niets en van niemand bang, maar van die lichtjes midden in de bossen, daar was ik als de dood voor! Ik wist wel dat dat van die glimwormen waren, maar ik kreeg er de hartenklop van. Ik heb er veel gezien toen ik tijdens de oorlog paarden smokkelde over de grens. Ze glimden en flikkerden en hoewel ik wel wist dat het maar insecten waren, was ik er niet gerust in. Misschien omdat het ook de gendarms konden zijn, en ik was bang om gestèkt te worden!’

 

Maar het waren niet altijd glimwormen; het waren soms ook schaatsendansers en doodskaarsen. Wat dat allemaal precies was, geen mens kon het vertellen. Wel dat het heel geheimzinnig was, en op en neer ging, even verdween maar dan ineens weer opdook. Je zag dat licht in de duinen, over een pan, langs grachten of op braakland. Het probeerde je van het rechte pad weg te lokken. Je mocht er zeker niet naar wijzen, want dan wist je niet wat er kon gebeuren...

 

Als kind hoorde ik met de regelmaat van een klok vertellen over die dwaallichtjes. Dat was in het huis van de buren, villa des roses. Daar woonde Camiel Piessens, de oud-burgemeester, en zijn vrouw die ik Tanne noemde. Zij vertelden me dikwijls over die vreemde lichtjes, die dwaallichtjes die zij vroeger ooit wel eens hadden gezien. ‘Maar nu zag je dat niet meer’, zeiden ze er altijd bij. Tot mijn grote spijt want hoe nieuwsgierig was ik daar niet naar! Het was iets waar ze mijn ogen konden mee doen glimmen van opwinding. Dus vertelden ze me telkens opnieuw van die lichtjes. Maar zonder verder verhaal, zonder verklaring. Zodat ik nu, zo’n vijftig jaar later, nog steeds op zoek ben naar verhalen over dwaallichtjes…

 

 

 

Uit Blankenberge komt volgend verhaal:

 

 

 

                                                             De eeuwige centenzoeker

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Doodskaarsen

 

Deze dwaallichten werden niet veroorzaakt door glimwormpjes, maar waren statische blauwachtige vlammen. Je kon deze lichten soms boven een aalput opmerken, of boven moerassen, maar ook boven plekken waar lijken lagen begraven. Het was gas dat ontsnapte uit rottend organisch materiaal. Zeker wanneer een lijk in vochtige aarde werd begraven en het lijk begon te ontbinden, dan konden die gassen vrijkomen. En wanneer de maan er in een bepaalde hoek op scheen, lichtte dit gas op.    

Dit werd dus ook wel eens op een kerkhof opgemerkt en daarom werden ze doodskaarsen genoemd. Er werd gezegd dat dit vooral met allerzielen gebeurde. De zielen die nog niet waren ‘overgegaan’, dwaalden een nachtje rond.

Die doodskaarsen leken op een ster of een oog in de nacht, werd ook gezegd, een vlam met daarin een lelijk aangezicht. Men zei dat dat een ziel was die uit het vagevuur was weergekeerd of de ziel van een ongedoopt of ongeboren kind. Soms kon je het verjagen door een kruisteken te maken. Maar wanneer het de ziel van een overledene was, die iets terug kwam zoeken, of die boete kwam doen, kon het niet verjaagd worden.

Die doodskaars kon zelfs op de vingertopppen komen zitten of je hardnekkig blijven volgen. Het beste was dan om te bidden voor die overleden mens.

Volgens andere verhalen duiden doodskaarsen de plaats aan waar geld van een overledene lag verborgen.

Grappig maar ook luguber is het verhaal van iemand die eens op een kerkhof in Oostende een aantal krabben losliet met een kaars op hun rug gekleefd… meer moest dat niet zijn om goedgelovige kwezels de stuipen op het lijf te jagen!

 

 

 

Vonkjes in de mast en licht in de zee

 

Een heel bijzonder licht dat scheepslui wel kennen is het Sint-Elmusvuur of Elmsvuur: een groene of wit-blauwe vonk die bij bepaald weer te zien was aan de top van scheepsmasten. Dat dit fenomeen nu niet meer wordt opgemerkt, is enkel en alleen te wijten aan het feit dat het enkel zichtbaar is wanneer alles pikdonker is. Op een verlicht schip, of met lichten in de buurt, zal dit fenomeen niet opgemerkt worden.

Hoe vreemd het ook mag zijn, het is een volstrekt natuurlijk verschijnsel. Het treedt op wanneer er grote ladingsverschillen worden opgebouwd. Het voorwerp is zo sterk positief geladen dat er vonken uit weglekken. Het toont zich enkel in de donkerste nachten, wordt niet verstoord door wind of regen en blijft onveranderd bij aanraking en beweging.

Het is totaal onschadelijk, maar omdat het wel een voorbode van bliksem kan zijn, is het toch altijd oppassen geblazen.

Zeelui hechtten er een bijgelovige betekenis aan. Sommige zagen het als een slecht voorteken, andere als een goed voorteken, een teken dat de heilige hen zou beschermen wanneer de storm zou uitbreken.

Die blauwe vlammetjes werden wel eens ‘corposants’ genoemd, een verbastering van het Latijnse corpo santo, ‘heilig lichaam’ en wanneer de achterliggende betekenis zoek was, werd dit simpelweg veranderd in ‘composants’.   

 

 

 

Het Noorderlicht

 

Tegenwoordig zijn er niet veel vissers meer die nog het Sint-Elmusvuur hebben gezien. En bij dwaalichtjes en doodskaarsen halen ze glimlachend hun schouders op. ‘Iets raars gezien? Iets raars gehoord? Maar nee… Wij waren niet met die dingen bezig! We waren altijd aan ’t werk en als we klaar waren, gingen we in onze kooie liggen en sliepen we…’

En ook als ze wacht liepen, uren alleen, met alleen maar de sterren en de maan als gezelschap… ‘nooit iets vreemd gehoord of gezien…’

Het Noorderlicht, ja, daar hebben de mannen die op IJsland voeren wel van genoten. ‘Als je een hele nacht op de brugge wachtloopt en dan zie je dat noorderlicht… ongelooflijk schoone dat dat was!’, zegt Berten Deckmyn. ‘Vooral als ’t seizoen keerde, zag je dat… zo tussen de lente en de zomer…’

 

 

De eerste ster

 

Het licht speelde een grote rol bij de mannen die op IJsland voeren: zeker voor de mannen die met de zeilen naar IJsland voeren, was het teveel aan licht erg lastig. Dan was het maandenlang onafgebroken werken, met enkel de pauzes om even te slapen en snel een hapje te eten. Halverwege juli begonnen de mannen terug te verlangen naar de beschermende duisternis van de nacht. En ze gingen weddenschappen met elkaar aan. Wie zou de eerste ster zien? De eerste ster die na die lange dag eindelijk weer aan de hemel verscheen. Met hun kollijn in de hand leunden ze tegen de reling en terwijl ze urenlang hun lijn vierden en optrokken, wachtend tot de kabeljauw beet, speurden ze de lucht in ’t Zuiden af. En wie haar het eerste zag, kreeg een ‘gloria’. Dat was een extra-poester, een koffie met niet één, maar met een dubbele scheut brandewijn in.

 

 

Vuurtorens

 

Als je de vissers bevraagt over lichten op zee, denken ze meteen aan de lichtbakens en vuurtorens. Daarover vallen niet zoveel verhalen te rapen. Misschien dat deze monumentale bakens te eerlijk zijn, te belangrijk ook, om er zomaar een vertelsel rond te breien…

 

Toch verdienen deze eenzame wachters hier een plaats. Omwille van hun mythische dimensie, of omdat ze als een snoer van lichtgevende parels onze kusten omzomen? Omdat ze ze zo nauw verbonden zijn met de zee, met ruwe kusten en zwaar weer? Of omdat ze ons doen denken aan thuiskomen in de veilige haven? Of gewoon omwille van hun licht dat ons eindeloos, nachtenlang, ritmisch wenkt…

De vissers geven toe dat dat hen iets doet, als ze na een lange reis terugkwamen.

‘We zagen de viertorre van Ostende als we op 23 zeemijl genaderd waren. Of ik dan blij was? Wa peins je? Als je drie weken weg was van huis?’, zegt Berten Deckmyn.

En Jean Snoek, zegt: ‘Als je de vuurtoren zag, voelde je je opgelucht… we zien were thus, ’t reisje zit erop! ’t Is allemaal goed afgelopen… allez joengens, m’en ’t were gefikst! Je was zeer blij, surtout als het een goeie reis was geweest, als we veel gevangen hadden.’

 

Vuurtorens dienen voor de veiligheid van de zeelui. Ze worden geplaatst op een haveningang, een eiland, een kaap. Overdag zijn de vuurtorens te herkennen aan hun vorm en kleur, ’s nachts aan hun licht. Aan de Vlaamse kust is er het rode licht van Nieuwpoort dat elke 14 seconden tweemaal ‘slaat’, in Blankenberge knippert het witte licht tweemaal per 8 seconden en in Zeebrugge zie je elke 15 seconden een rood en wit licht. Het witte licht van de vuurtoren van Oostende, Lange Nelle, slaat driemaal, elke tien seconden drie maal, het morseteken voor de letter ‘O’.

 

 

 

‘Maar soms kon je je mispakken,’ zegt Florimond Waeghe. ‘Lichten op zee? Vuurtorens? Dat was soms miserie… je ziet lichten, maar welke lichten? Je weet het niet altijd. De viertorre van Blankenberge bijvoorbeeld. Hij draait niet als de andere vuurtorens. Hij gaat gewoon aan en uit. En dan kun je je mispakken…’

 

 

 

 

 

 

 

De eeuwige kruier

Wanneer men een paar keer een of ander lichtje zag op een bepaalde plek, dan was dat voldoende om daar een verhaal rond te breien.

In Nieuwpoort sprak men over een bepaalde ster die zeven meter boven de duinen zweefde… dat was de eeuwige kruier.

In Koksijde werd verteld dat hij in een huisje in de duinen woonde. Men zag er vreemde lichtjes in die buurt en niemand durfde er te komen.

Volgens nog een ander verhaal stond de eeuwige kruier op de duinen met een lichtje te wenken naar de vissers die naar hun boot gingen om uit te varen. Daarin zagen de vissers een slecht voorteken en vonden ze het beter om niet te vertrekken.

 

 

Sint-Elmus is een van de patroonheiligen van de zeelui. Bij leven en welzijn was zijn naam  Erasmus van Formiae. Hij werd geboren rond 240 en stierf in 303 als martelaar voor zijn geloof. Dat hij op de pijnbank werd gelegd, zijn buik werd opengesneden en zijn darmen met een windas langzaam uit zijn buik werden getrokken, is een weinig fris en ook weinig ter zake doend detail, maar wat wel verband houdt met het Sint-Elmusvuur is het volgende…

Een aantal jaren voor zijn dood werd hij verbannen naar een berg en leefde hij in gevangenschap. Hij wist te ontsnappen met een schip, maar toen kwam er een zwaar onweer opzetten en de blauwe vonken likten al aan de toppen van de masten. Maar de heilige man wist de storm te bedaren. Enkel en alleen door zijn armen te spreiden.

 

Als je ’s nachts bij heldere hemel pal onderaan de vuurtoren van Oostende, Lange Nelle gaat staan, zie je trouwens niet drie maal het licht ‘slaan’, maar wel zesmaal. Dat geeft een heel bijzonder, feeëriek gevoel.

Maar deze toren is niet alleen heel bijzonder van design en mooi van tekening.

Marc Loy, van de gidsenkring van Oostende, weet me te vertellen waarom. ‘Een Lange Nelle is een lang, opgeschoten meisje,’ zegt hij en hij haalt er het Oostends Woordenboek van Roland Desnerck bij. Daarin lezen we dat een ‘Nelle’ een meisje is met een slechte karaktertrek… en zo hoor je in Oostende wel vaker ‘’t is een franke nélle’ of ‘ge ziet een vúle nelle’ of ‘wat een domme nelle!’

 

‘De Oostendenaar is een spotter, en zoals hij graag lapnamen geeft aan mensen, geeft hij ze ook aan gebouwen… zo heb je de ‘Tettenbrugge’, de De Smet-de Naeyerbrug die vaagweg aan een weelderig koppel borsten doet denken, de ‘Apenplaneet’, een sociaal appartementencomplex aan de rand van de stad, officieel ‘de Nieuwe Stad’ genoemd, en de ‘Pisser’, het Monument voor de Zeelieden op het Heldenplein.’   

Op een avond liep Pietje-de-Dood met zijn blinkende zeis over de schouder te mopperen dat lopen in duinzand zo lastig is. Het was niet voor niets dat hij niet vaak in de duinen kwam. Daarom worden de mensen die in schamele hutjes in de duinen wonen, ook zo oud…

Pietje-de-Dood was dan ook helemaal uitgeput wanneer hij aan het kleine hutje waar hij moest zijn, aanklopte en eigenlijk had hij niet veel zin meer om zijn job te doen.

Voeten sloften en de deur ging open. Een oud, krom mannetje verscheen, met een kaarsenhouder in de hand.

‘Dat is hier hoog tijd’, dacht Pietje de Dood toen hij goed keek.

Het mannetje was inderdaad al van een behoorlijke leeftijd. Zijn vel leek wel van perkament, zijn haar had de kleur van as en hij had geen enkele tand meer in zijn mond.

Het oude mannetje van zijn kant schrok dan ook niet zo erg wanneer de man met de zeis tegen hem zei: ‘Het is je tijd, man, je bedje staat klaar.’

Maar hoe oud de man ook was, en hij het toch al een beetje had verwacht, had hij er eigenlijk helemaal nog geen zin in en hij bedacht snel een uitvlucht. ‘Ja, wacht even… ik heb een paar centen verloren in ’t zand’, zei hij.

‘Maar nu heb je geen geld meer nodig’, weerlegde de Dood terwijl hij zich wat zuchtend op een stoel zette. Gewoon om wat uit te rusten, niet om zich in een zinloze discussie te gooien.

Het oude mannetje nam van de gelegenheid gebruik en glipte naar buiten.

‘Eerst mijn centen terugvinden!’ riep hij.

De Dood werd wit van woede.

‘Verdorie kom terug!’ riep hij, maar het oude mannetje, die gewoon was om in duinzand te lopen, was al een heel eind weg. Dat zag hij aan het kleine lichtje van de kaars, een duin verderop…

‘Zoek dan voort tot in de eeuwigheid!’ brulde Pietje-de-Dood die geen zin had om hem achterna te zitten. En al zeker niet in dat duinzand!

En zo geschiedde…

Nog steeds dwaalt het oude mannetje door de duinen, zogezegd op zoek naar zijn centen.

Al wie dus in Blankenberge bij valavond een stokoud mannetje met een kaarspan in de hand ontmoet, geeft hem dan vlug een paar centen, zodat hij eindelijk toch naar zijn bedje kan.