TUSSEN WATER EN WIND

aflezers

Op zee was het al niet mogelijk om een dokter te raadplegen, maar ook thuis was het niet de gewoonte om een dokter te raadplegen. Het moest al heel erg zijn dat men naar een dokter ging voor een ziekte of een kwaal. Dat het geld kostte was een beletsel en wellicht hadden ze meer vertrouwen in de oude methodes, de oude, beproefde remedies, zoals kruidenaftreksels, kaarsen branden, op bedevaart gaan of de ziekte laten ‘belezen’ bij de paters of laten ‘aflezen’ bij een of andere charlatan.

Aflezers

 

Wanneer een genezing plaatsvond na de raadpleging van een ‘aflezer’, werd dit verteld, herverteld en doorverteld en werd het daarbij niet weinig aangedikt met de nodige, vaak verzonnen, details. Terwijl het hoogstwaarschijnlijk een aandoening was geweest van voorbijgaande aard, een ziekte die ook zo wel zou genezen zijn zonder raadpleging van een dokter, zonder gebeden in een of andere kapel, zonder ontmoeting met een vreemd vrouwtje, of bezoek bij pastoor of aflezer of wie of wat dan ook.

Zo luidt een verhaal verteld in Gistel over een jongen die een ‘parel’ had op zijn oog.

 

                                                                                    Een parel op het oog

Een jongen uit Gistel kreeg eens een parel op zijn oog. De dokter die werd geraadpleegd verwees hem naar een oogarts in Oostende, want ‘anders zal hij zijn oog kwijtraken’, had hij tegen de moeder gezegd.

Dat deden ze dus, maar het hielp allemaal niet en de parel werd alsmaar groter en op de duur kon de jongen zijn oog niet meer sluiten en moest hij een zwarte lap voor zijn oog dragen.

Op een dag besluit de moeder om toch nog maar eens naar die oogarts in Oostende te gaan.

Als ze op weg zijn naar de trein, staat er een vrouwtje in haar deurgat. ‘Wel, wat is dat daar met dat oog van die jongen?’ vraagt ze.

‘We zijn op weg naar den oogmeester in Oostende, want hij heeft een parel op zijn oog!’ antwoord de moeder.

Het vrouwtje zegt dat zij er misschien wel iets kan aan doen.

De moeder trekt haar schouders op en zegt dat het toch maar beter is om naar die oogarts te gaan, want ‘die heeft er toch studies voor gedaan?’

‘Da’s juist en ik niet’, zegt de vrouw. ‘Maar je mag altijd een keer komen, als ’t niet betert…’

De dagen gaan voorbij, de moeder smeert elke dag zalf op het oog van de jongen, maar er komt geen beterschap. Dus besluit ze om toch maar eens naar die vrouw te gaan.

‘Ah, zijn jullie daar nu toch?’ zegt de vrouw, maar laat de jongen en zijn moeder toch binnen.

‘Zet je op een stoel’, zegt de vrouw tegen de jongen en aan de moeder vraagt ze om een beetje ‘uit de weg’ te gaan.

‘Haal die lap van voor je oog!’ gebiedt ze, wat de jongen doet.

Dan begint het vrouwtje te bidden en daarna draait ze negen keer met haar paternoster rond de jongen waarbij ze elke keer op het oog blaast.

Na afloop van het ritueel zegt ze dat de jongen best geen lap meer voor zijn oog draagt en dat ook de zalf achterwege wordt gelaten. ‘En over acht dagen is dat oog genezen’, zegt ze nog.

En inderdaad, na acht dagen was er van die parel niets meer te zien.

 

 

 

Meestal zijn het verhalen ‘van horen vertellen’, maar sommigen zagen het ‘met hun eigen ogen gebeuren, hebben ze ‘nondedju zelf gezien’...

 

                                                                                                 

                                                                                                                De stekebeiers                                                        

‘Als ik jong was, zwichtte ik niet, hield ik me niet in’, vertelt een zekere Levien, een oude visser uit Oostduinkerke. ‘Zo gebeurde het dat ik wel eens lachte met een oud mens dat wat verderop woonde.’

Iemand zei me dat ik dat beter niet deed, want dat het een toveres was.

Ik lachte nog meer: ‘Hoe, godverdomme, zou dat een toveres zijn! Wie, godverdomme, veegt daar zijn kont niet aan?’

De vrouw begon met stekebeiers, kruisbessen dus, te smijten en ik smeet terug, maar zij smeet er naar mijn hoofd. Toen ik thuiskwam, zei ik tegen mijn moeder: ‘Ik voel me helemaal niet goed, want heel mijn lijf staat vol stekebeiers, vol bobbels.’

Mijn moeder zei dat ik betoverd was en we naar pastoor Lootens moesten om te laten belezen.

Toen we bij hem aankwamen, zei de pastoor: ‘Laat eens zien, dat bestaat niet met die superstitie. Met al dat bijgeloof! Laat die jongen eens bij mij komen.’

Ik ging dus bij de pastoor, terwijl mijn moeder in een kamertje apart moest gaan zitten.

Hij begon te lezen in zijn kerkboek en te bidden dat het zweet langs zijn voorhoofd liep. En toen ik wegging van pastoor Lootens, was er geen stekebeier meer te zien op mijn lijf en was ik net als tevoren.

En hij zei nog tegen me, met zijn vinger in de lucht: ‘Zie dat je nooit meer oude mensen uitlacht!’

 

 

 

Een zekere Madeleine uit Oostende vertelde volgend verhaal over een vreemde ziekte, waarbij dit keer de paters het probleem oplosten…

                                                                 

                                                                                           En maar sjieken                                   

Er was eens een matroos die op straat een pakje sjiektabak vond. Pruimtabak dus…

Hij stak het in zijn zak. ‘Dat zal goed van pas komen!’, dacht hij. Want de volgende dag vertrok hij voor een reis van twee à drie weken.

Op zee haalt hij het pakje boven en begint hij erop te knauwen. Hij merkt dat hij niets anders kon dan knauwen en knauwen. En iets eten, dat lukt maar niet! Hoe hard hij ook zijn best doet om iets anders dan tabak in zijn mond te stoppen, het lukt maar niet… kauwen kan hij, iets inslikken niet…  

Toen ze terugkeerden van de reis, zijn ze met die man naar de paters gegaan, waar ze hem belezen hebben en toen is het weer in orde gekomen.   

 

 

 

Kinderziekten

 

Veel kinderziekten werden als gevolg van toverij aangezien. Vooral vreemde ziekten die lang bleven aanslepen en schijnbaar onverklaarbare oorzaken hadden. Over de ‘oude man’ – dat was rachitis, de beenderziekte veroorzaakt door een tekort aan zonlicht - wordt verteld dat kinderen gezond en sterk zijn en op een paar dagen zo mager worden als een graat. Men ging ervoor op bedevaart naar Nieuwpoort en men moest een slaapmutsje en hemdje van het kind meenemen. Op bepaalde plekken moest men de kleertjes in het water gooien. Zonken ze, dan was het kind veroordeeld in de eerstvolgende dagen. Bleven ze drijven, dan zou het kind genezen.

Ook van de ‘plane’ werd verondersteld dat het door toverij was veroorzaakt. De ‘plane’ was een ziekte waarbij het kind blauw uitsloeg, cyanose dus, bij sommige hartziekten.

 

 

 

Men ging daarvoor ook wel eens naar de paters en naar sommige pastoors om ‘te laten belezen’.

Aan de Oostkust ging men naar de paters wanneer een visserskind ziek werd zonder dat men de oorzaak van het kwaad kon aanwijzen.

En in Heist werd op een bepaald moment  na de hoogmis preventief het ‘lang evangelie’, het evangelie van Sint Jan dus, gelezen. Naar het schijnt waren er daardoor minder beheksingen toen eist fel verminderd sedert er in de kerk gelezen werd.

     

Aan de Westkust was vooral pastoor Lootens daarvoor gekend. Deze pastoor was gekend als ‘aflezer’ van ziekten, maar ook als bestrijder van de kwade hand. Maar wellicht was het een man met een psychologisch goed doorzicht en wist hij heel goed dat de aandoening die hij belas toch vanzelf overging. De mensen dachten daar echter anders over... zelfs al was het maar één of ander onschuldig kwaaltje dat toch vanzelf genas, waren het pukkels die in een paar dagen verdwenen of rare dromen die op een dag toch zouden uitblijven.

Een zekere Jacobus Maertens had een specifieke methode om de parel op het oog te verhelpen; hij las 45 onzevaders. Eerste negen, dan acht, dan zeven en zo verder en tegen dat hij daarmee klaar was, voelde hij al beterschap. Dat deed hij negen dagen lang en de laatste dag was zijn oog genezen.