TUSSEN WATER EN WIND

 

schelvissen en walvissen

Natuurlijk zijn er vele verhalen over vissen zelf en over andere dieren die in zee leven, waaronder dan vooral de walvis, die door zijn formaat soms mythische proporties aannam. Maar laten we beginnen met een bescheidener soort: de schelvis.

 

                                                                                   Petrus’ duim

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ook over de strepen op de rug van sommige haringsoorten, gaat een vertelling.

 

 

                                                                    De haring verjagen                                                                                     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op sommige momenten zwom er inderdaad heel veel haring voor onze kust. De Belgische vissersvloot die niet naar Engeland was gevlucht, haalde tijdens de winter van 1942 op 1943 ettelijke tonnen haring binnen. Naar het schijnt hebben wel duizenden Belgen door deze ‘wonderbare visvangst’ de oorlog overleefd. Er waren er die het zowel ’s ochtends, ’s middags als ’s avonds aten. Omdat deze vissoort niet meteen als een delicatesse kan bestempeld worden, gaven de kranten recepten om haring klaar te maken en zo wat afwisseling te brengen in het menu.

 

 

 

De ton ruikt naar de haring

 

Haring speelt reeds eeuwenlang een grote rol in de geschiedenis. Het was een belangrijk handelsartikel en sommige steden werden welvarend door de vangst van deze vissoort. Want omdat men al snel wist hoe men haring kon bewaren, kon men het over lange afstanden vervoeren. Wellicht heeft men de haring eerst sterk gezouten, zoals men dat ook met andere vissoorten deed, maar toen men in de veertiende eeuw het ‘kaken’ uitvond, dan kon men echt een delicatesseproduct aan de man brengen.

Maar vanwaar komt het woord ‘kaken’?

Vooreerst zou men denken dat het woord komt van ‘kaak’, wat niet zo ver gezocht zou zijn, want naast een aantal andere organen (behalve de pancreas, want die speelt een grote rol in het bewaarproces), neemt men ook de onderkaak van de vis weg. Maar daar heeft het niets mee te maken! De uitleg is te vinden in het Franse woord ‘caque’. Voor alle duidelijkheid, dit slaat niet op het woord dat meteen opkomt! ‘Une caque’ betekent een ton, een harington. Zo’n ton waarin de haringen na het zouten worden ingelegd om verder te rijpen en zo hun smaak te bekomen. Dat die ton in de loop van de tijd dan ook naar haring gaat ruiken, hoort men al in het Franse spreekwoord ‘la caque sent toujours le hareng’… wat niet alleen wil zeggen dat de ton altijd naar de haring ruikt, maar dat iemand die van lage afkomst is, dit moeilijk kan verbergen, hoe hij zich ook probeert te gedragen.

 

 

 

 

Walvissen

 

Maar ook de walvis speelde een grote rol in de geschiedenis van de visserij. Reeds vroeg werd er jacht op gemaakt. En in de zeventiende eeuw deden zelfs onze noorderburen, de Hollanders, daaraan mee en voeren onvervaard naar Groenland en Spitsbergen. Ze richtten de Noordsche Compagnie op om ginds de dieren te verwerken. Want zowel het vlees en het vet kende afnemers en al zeker de baleinen uit de kaken die perfect materiaal waren voor hoepelrokken, en korsetten…

Dat het geen sinecure was om deze dieren te vangen en te doden en dat daar heel wat verhalen werden over verteld, spreekt voor zich. En door zijn immense afmetingen kreeg de walvis zelfs een mythische dimensie.

Tal van verhalen werden over dat dier verteld. Het ene al straffer dan het andere.

 

Het was vooral de immense afmetingen van het dier dat de fantasie voedde.

Zo werd nog in de negentiende eeuw gedacht dat er walvissen bestonden die niet eens door de vijftien kilometer brede straat van Gibraltar geraakten. En in het Joodse boek Bara-Bathra staat vermeld dat een schip drie dagen moest varen om de afstand tussen kop en staart van zo’n walvis af te leggen.

 

Volgens een Arabische mythe rust onze planeet op een walvis. Als hij beweegt, heeft er een aardbeving plaats. In de bijbel werd de profeet Jonas door een walvis opgeslokt. Drie dagen en drie nachten verbleef hij in de buik van het dier om dan weer ongedeerd te worden uitgespuwd. En een zekere heilige Machut, was op een goeie dag uitgevaren en de mis gecelebreerd op een eiland. Na de mis, merkten ze dat het eiland een walvis was! Muisstil was die blijven liggen tot de mis klaar was en de heilige man weer in zijn boot was gestapt. Erna was hij met groot geweld weg gezwommen.   

 

                                                                     

                                              De staart van de walvis

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bruinvissen

 

 

Onze vissers jaagden wel eens op bruinvissen. Zo hadden de Wenduinenaars reeds in 1340 van de proosdij van Sint-Donaas in Brugge de toelating gekregen om ‘met tarpoen als van outs marswin vanckste te voeren tjaer duere’. Ze mochten dus het hele jaar jagen op bruinvis, toen nog ‘meerzwijn’ of ‘marswin’ genoemd, van het Franse ‘marsouin’ en ze mochten dit doen met een ‘tarpoen’, een harpoen, omdat hun netten anders scheurden wanneer ze zo’n grote bruinvis vingen. En dat men geen compassie moest hebben met deze dieren en ze meedogenloos mochten worden uitgeroeid, stond vermeld op hun gildebanier: ‘med tarpoen zonder pardoen’. Waarom er dus in het wapenschild van Wenduine nog steeds een bruinvis staat afgebeeld…  

 

In het boek ‘De zee van toen’, laat Guido Rappé enkele vissers vertellen over die keren dat ze ongelooflijk veel haring hadden gevangen. Zo bijvoorbeeld: ‘Er lagen verschillende schepen te vissen voor Blankenberge. Eén boot liep al achter, want zijn net was opengescheurd, gebarsten van de haring. We kwamen weer aan de korre en we lagen nog maar zes minuten aan ons net en de touwen kwamen al toe. We wonden en we hadden 18.600 kilo en we hebben dat gevangen in 5 minuten en we laadden hem hé! ’t Was geen grote boot hé, en de die die mee waren zeiden “godverdomme, je goa gie load’n da me zieng’ng!”…(je gaat laden totdat we zinken) We kwamen naar binnen en je kon ons nummer niet lezen en ’t water van de motor dat buiten spoelde, je kon dat niet zien, dat zat allemaal onder water.’

Biervliet of Oostende

Of het haringkaken nu werd uitgevonden door een Nederlander of door een Vlaming, zal wel altijd een gekissebis blijven. Aanvankelijk werd aangenomen dat de uitvinding mocht toegeschreven worden aan Willem Beukelszoon van Hughevliet, ooit een havenplaats in de buurt van het Zeeuws-Vlaamse Biervliet. Maar dan bleek dat er in Oostende een zekere Jacob Kien ook zijn bijdrage had geleverd, want in een nog ouder Oostends document staat het volgende geschreven: ‘En ’t is boven tachtig jaar leden, of daaromtrent, dat men coopmanscepe van den harijnc te kakene begonste te doene in Vlaendren, want eenen Beukels van Hughenvliete ende eenen Jacob Kien van Oostende, waeren deghene die eerst de caecharync in ’t zee maekten ende hier in ’t landt brochten.

Maar evengoed hebben die twee helemaal niets uitgevonden en het gewoon van de Zweden afgekeken. Die waren daar wellicht al veel vroeger mee bezig.

In ieder geval gaan de mensen van Biervliet er van uit dat hun Willem Beukelszoon alle eer toekomt. Dus zetten ze als windwijzer een koperen haring op het torentje van het oude raadhuis, plaatsten ze een gebrandschilderd raam waarin een haringkakende Beukels staat afgebeeld en richtten ze op het marktpleintje een monument op. Dit alles Jacob Cats indachtig:

Beukelszoon heeft voor het eerst de haering leeren kaecken.

Dat is van alle slym de visch ghesuyvert maecken.                 

Op een bepaald ogenblik leefden er heel veel haring voor onze kusten. Men kon ze bijna met de hand vangen.

De kustbewoners vonden dat teveel aan haring eigenlijk maar niets, want het was niet zo’n lekkere vissoort, en ze vermoedden dat de haring de andere vissen wegjoeg.

Daarom begonnen ze de haringen weg te jagen door er met stokken op te slaan.

Vandaar dat sommige haringen nu nog strepen op hun rug hebben staan.

Bij de schepping zwommen de walvissen veel sneller nog dan tegenwoordig, want zij hadden hun staart, net als andere vissen, dwars staan en zo konden ze met hun staart het water weg en weer zwiepen.

Maar toen de Schepper zag dat ze zo snel zwommen, draaide hij hun staart een kwartslag om. Sedertdien slaan de walvissen hun staart op en neer en hebben er zo een deel van hun snelheid bij ingeboet.

Petrus, één van de twaalf apostelen, had op een goeie dag zijn net uitgeworpen. Na een sleeptje te hebben gedaan, haalde hij het net weer binnen, knoopte de kuil los en de vis gleed eruit als een stroom vloeibaar zilver. Er was echter één vis blijven steken in de mazen.

Petrus greep de vis vast, trok hem los en wilde hem bij de andere gooien, maar de vis spartelde tegen en ontkwam.

‘Gij schelm!’ riep Petrus en al lachend deed hij er nog een schepje bovenop: ‘Voortaan noem ik je schelmvis!’

In de loop van de tijd verdween echter de ‘m’ uit het woord, maar wat niet verdween waren de twee donkergrijze, duimbrede vlekken aan weerszijden achter de kop van de vis… net daar waar Petrus zijn duim en wijsvinger had gezet.