TUSSEN WATER EN WIND

een mariabeeld in de korre...

Vissers mogen dan hard en ruw zijn, en vloeken en ketteren dat het een lieve lust is, gelovig zijn ze wel. Vooral Onze-Lieve-Vrouw dragen ze hoog in hun blazoen. Bedevaarten, missen, gebeden en kaarsen voor een behouden vaart… voor een groot deel misschien verleden tijd, maar toch nog levend in processies en zeewijdingen. Je voelt het, het is meer dan zomaar een folkoristisch gebeuren tot vermaak van de toeristen. De oude devotie leeft toch nog een beetje voort wanneer je ze ziet stappen in de stoet, de mannen gekleed in blauwe broek en kiel van rode meekrap en de vrouwen in lange jurk en pupemutsje. Met de wilgentenen bennen in hun handen en de gebreide netten stappen ze in processie van de kerk naar de zee. En met die processies worden ook de legenden levend gehouden.

 

                                                     

                              De legende van Onze Lieve Vrouw van Meetkerke

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mariabeeld van Meetkerke

Aan het Mariabeeld van Meetkerke werden miraculeuze eigenschappen toegedicht, waardoor het dorp vroeger vele bedevaartgangers trok. Op de zeventiende eeuwse schilderijen in de kerk is dat nog duidelijk te zien. Op een ervan staat een vrouw afgebeeld die, blij om haar genezing, haar krukken offert, op een andere staan twee lamme kinderen, biddend om weer te kunnen lopen en op een derde ligt een vrouw met het ‘vier in haar boesem en ghelyk drie boesems gheswollen, maar subietelyck ghenesen’ door een belofte Onze-Lieve-Vrouw van Meiëkerke.   

 

Maar ook nu nog stapt elke eerste zondag na Onze Lieve Heer Hemelvaart een groepje bedevaarders vanuit van Blankenberge naar Meetkerke. Om zes uur in de ochtend vertrekken ze aan de Sint-Antoniuskerk en keuvelend leggen ze de twaalf kilometer naar het polderdorpje Meetkerke af. Ze houden een eerste keertje halt aan het kapelletje van Sint-Job in Uitkerke waar ze een paar gebeden murmelen, om dat nog eens te herhalen in de kerk van Zuienkerke en nog eens bij een Mariabeeldje aan een boom aan de kant van de weg. Voor de mis is er een ontbijt in een herberg met boterhammen besmeerd met smout en na de mis dragen vier mannen van de ‘Gemeenzaamheid der Blankenbergse vissers’, de naam van de oude vissersnering, het beeld op hun schouders het dorp rond.

 

Het heilig Kruis van Wenduine

 

Een gelijklopend verhaal waarbij een beeld uitdrukkelijk te kennen geeft dat hij/zij op een welbepaalde plaats wil vereerd worden, een ‘terugkeerlegende’ dus, is dat van ‘thelich Cruce’ van Wenduine. Ook hier vingen de vissers iets heel bijzonders in hun korre en ook hier overkwam het een aantal vissers uit Blankenberge.  

                                                                                                 

                                                                                                                                                                    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Welicht is de verering van het heilig Kruis in Wenduine en de daarmee gepaard gaande legende ontstaan in het begin van de zeventiende eeuw, wanneer de Wenduinse visserij ter ziele ging en zich verplaatste naar Blankenberge. De Blankenbergse vissers die hun roots in Wenduine hadden, trokken er twee keer per jaar naar toe om er het heilige kruisbeeld te vereren. Ze woonden de mis bij en smeekten een goede vangst af en bescherming tegen de gevaren op zee. Na de mis werd het het kruis processiegewijs driemaal rond de kerk gedragen.

 

Zo’n dertig jaar terug, hoorde je tijdens de mis en de processie de ezels balken. Dat waren de beesten van Jozef Geldhof, die toen pastoor was van Meetkerke. Dat Jozef Geldhof trots was op zijn ezels, dat wist iedereen. Of het ook iets te maken had met de legende, is minder duidelijk, maar het kan best.

In zijn boekjes ‘Humor in de Kerk’ is er geen verwijzing naar zijn ezels te vinden, wel op de grafzerk die hij liet beitelen. Daarin staat, even prominent als zijn naam en de data waarop hij geboren en gestorven is en pastoor geweest is van Meetkerke, ook een ezel gebeiteld. En zo blijft hij voortleven, Geldhof, de pastoor met de eigenzinnige ideeën, de pastoor soms zo ‘koppig als een ezel’.

Ezel op graf pastoor J.Geldhof

Maar ook nu nog wordt in Wenduine elk jaar op tweede Pinksterdag een processie gehouden naar aanleiding van de zeewijding. Het is een bijzonder gebeuren, want op het strand wordt ook de legende uitgebeeld. De Scute, een gerestaureerde oude Blankenbergse schuit, vaart tot aan de vloedlijn, waar de vissers het beeld op hun schouders hijsen, aan land brengen en in triomftocht terug naar de kerk brengen.

 

 

Zeewijding en processie in Heist : elk jaar op 15 augustus.

Kapelletje van Brèninge

 

Vorige verhalen zijn stuk voor stuk ‘terugkeerlegenden’ en dit is niet anders voor het Mariabeeld van het kapelletje van Bredene. Oostendse vissers hadden voor de kust van Bredene een Mariabeeld opgevist en naar hun kerk gebracht, waar het tot drie keer toe verdween tot het eindelijk in Bredene terechtkwam.

 

Volgens een andere overlevering lag dat Mariabeeld bij een waterput, waar dan ook de kapel werd gebouwd.    

Aan het water van die put werden trouwens miraculeuze eigenschappen toegedicht. Het bracht naar men zei soelaas en zelfs genezing bij oogziekten. De bedevaartgangers maakten een knoop in hun zakdoek, doopten de tip in het water en depten er hun ogen mee. Voor andere kwalen werd aangeraden om van het water te drinken. Menig bedevaarder vulde dus een flesje om mee naar huis te nemen.

Geleidelijk aan vervuilde de put, kwam vol stenen en ander afval te liggen en werd uiteindelijk, in 1936, gedempt. Maar het idee bleef leven dat een bezoek aan het kapelletje een geneeskrachtige uitwerking had.

 

Omdat er verteld werd dat het Onze Lieve Vrouwtje in de duinen gunsten verleende en zelfs wonderen verrichte, geraakte het kapelletje steeds bekender. Vooral de vissers en visservrouwen uit Oostende hadden een voorliefde voor deze plek. Ouders gingen voor de eerste zeereis van hun jonge zoon met hem ter bedevaart om hem ‘zeehard’ te maken en te beschermen tegen zeeziekte.

Zo vertel Jef dat hij aan dertien jaar en acht maanden aanmonsterde en zoveel last had van zeeziekte dat zijn vader zei dat hij beter aan wal was gebleven en voor toartenbakker had geleerd. ‘Mo pa toch!’ had hij gezegd, want hij wilde visser worden, niets anders, net als zijn vader en als zijn maten. ‘Om van die zeeziekte af te geraken zijn we op een dag, ik vaarde toen al een maand of twee, drie naar ’t Brènings kapelletje gegaan, te voete. En je zult het niet geloven, hé, maar vanaf dan was dat gelik weg. En als ik lichtmatroos werd, heb ik er nooit nog iets van geweten!’  

Ook wanneer een nieuw schip in de vaart werd genomen, togen ze eerst naar het kapelletje van Brèninge om er te bidden voor een goede vaart, vertelt Yvonne: ‘We gingen altijd naar ’t Brènings kapelletje wanneer Jacques, mijn man, veranderde van schip. En wanneer ’t schip een paar weken had opgelegen voor de grote schoonmaak, gingen ze met de hele kopage te voete bidden bij het Mariabeeld alvorens weer af te varen.’

 

 

Wanneer je alleen was en je kwam van Oostende, was het echter geen sinecure om naar het kapelletje te gaan, want dan moest je voorbij de Doornen Bilk, een schapenweide ongeveer tegenover de plek waar nu het Godtschalck-intituut staat. Het spookte er.

Dat wist ook Wantje, een oud vrouwtje van de Blauwe Sluuze, een wijk in Bredene...

                           

                                                                                         Ga voren…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ex-voto’s

 

Ook vandaag de dag nog biedt het kapelletje van Bredene troost en worden nog altijd gunsten gevraagd, te zien aan de vele ex-voto’s waarmee de kapel behangen is. Marmeren plaatjes, geschreven boodschappen, doodsprentjes… de kapel is er haast te klein voor. En in het grotje ernaast branden altijd kaarsen.

Vroeger was dat natuurlijk niet anders. Maar de giften waren toen soms nog veel groter en kostbaarder, zeker wanneer het als dank voor een redding op zee was geschonken. Het gebeurde meer dan eens dat er in grote stormen dure geloften werden gedaan. En hoe heviger de storm, hoe duurder de geloften en de daarmee gepaard gaande geschenken… Niet zelden waren het ringen, oorringen, oorbellen, bootjes, hartjes en medaillons in zilver en zelfs goud.  

Die kostbare giften werden uitgestald in de meimaand, de maand van Maria, en dat was wel eens om diefstal vragen…

Zo gebeurde op 8 augustus 1907. Met breekijzers was het kapelletje opengebroken en samen met heel wat goud- en zilverwerk, was ook het beeld gestolen. De droefheid bij de bevolking van Bredene en de Oostendse vissers was groot.

Een dame uit Oostende had de heiligschennis vernomen en een belofte gedaan: mocht haar zus die heel erg ziek was, wat verlichting in haar lijden bekomen, dan zou zij ‘een schoon Onze Lieve Vrouwbeeld’ offeren. Laat het nu gebeuren dat haar zuster diezelfde nacht al beter sliep omdat ze minder pijn had. De dame offerde dus het beloofde beeld, dat nu nog steeds in de kapel onder een glazen koepel staat.

 

 

Tijdens de Franse revolutie

 

In één van de vissersnovellen van Ary Sleeks staat te lezen hoe het beeld tijdens de Franse Revolutie plots verdween. Wanneer de Sans-Culotten Oostende naderden, had het Onze-Lieve-Vrouwtje ineens de plaat gepoetst en bleef ze gedurende de hele bezetting weg om op de morgen van de bevrijding terug op te duiken en haar plaats op het kleine altaar weer in te nemen.

Iemand opperde dat men hier echt wel niet met een mirakel te maken had, maar dat een godsvruchtige ziel wellicht het beeldje doodeenvoudig ergens verborgen had gehouden.

Maar die uitspraak bekwam hem slecht. Hij werd als ketter en goddeloze Sans-Culot uitgescholden. En de vraag werd hem gesteld of hij somtemets niet in mirakels geloofde…   

De reële toedracht van de verdwijning van het Mariabeeld van Bredene was echter deze: wanneer in het jaar VI van de republiek werd afgekondigd dat alle kruisen en heiligenbeelden moesten worden weggenomen uit kerken, torens en straten, hadden de Bredenaars het Mariabeeld en alles wat de kapel bevatte, weggenomen en veilig verborgen bij een zekere Joannes Pattyn. De kapel zelf hadden ze opgevuld met hooi, stro en werktuigen en deed zogezegd dienst als schuur.   

 

Onze Lieve Vrouw van Lombardsijde

 

Het beeld van Onze Lieve Vrouw van Lombardsijde, ofwel Onze-Lieve-Vrouw der zeven weeën werd vereerd door de vissers van de Westhoek en vooral door de vissers die op IJsland vaarden. Ze werd aanroepen om behouden te blijven van rampen en gevaren op zee. De IJslandvaarders gingen er voor hun afvaart beêwegen. Het was daarbij niet ongebruikelijk dat ze hun schoenen uittrokken voor de ommegang langs de zeven stenen kapelletjes.

 

Verschillende reddingen op zee werden toebedeeld aan haar tussenkomst en enkele glasramen in de kerk getuigen daar nog van.

Een aantal van die reddingen werden trouwens genoteerd in het ‘mirakelboekje’ van Judocus Moens, pastoor van de parochie in de jaren 1660. Zo staat erin te lezen dat het schip van de beroemde kaperskapitein Joos Sap werd gered door het toedoen van Onze Lieve Vrouw.

Ook de schipper Barend Evers en zijn bemanning waren ontsnapt aan een zwaar tempeest doordat ze vurig hadden gebeden tot Onze Lieve Vrouw. Dat twee van de maats waren overboord gevallen, maar door de baren weer aan boord gegooid, werd door de kapitein en de stuurman ondertekend op hun ‘mannelijke waarheid’.

 

Onze Lieve Vrouw der zeven weeën kende ook later nog veel succes en een gebeurtenis tijdens de eerste wereldoorlog droeg daar nog toe bij. Het beeld was in het begin van de oorlog naar de Sint Petrus en Pauluskerk in Oostende overgebracht en daar uitgestald, ze had zelfs een kroontje en scepter gekregen die de soldaten uit Lombardsijde gemaakt hadden uit patroonhulzen. Toen de kerk voor een groot deel verwoest werd, was het beeld wonder boven wonder rechtop blijven staan. De Oostendse bevolking beschouwde dit als een waar mirakel.

 

Naar het schijnt zou ook dít beeld zijn aangespoeld aan de kust en gevonden zijn door zeelui, volgens andere bronnen werd het opgedolven uit het duinenzand.

 

Aangespoelde heiligenbeelden

 

Dat zo’n Mariabeeld of ander heiligenbeeld aanspoelde op het strand of werd opgevist in een korre, is trouwens niet vreemd, want nagenoeg alle schepen hebben zo’n houten mariabeeldje én een kruisbeeld aan boord. Sommige vissers bonden ook wel eens zo’n Mariabeeldje in de netten, omdat ze dachten dat dat een betere vangst zou opleveren. Dat zo’n beeldje soms ergens aanspoelde, was dus volstrekt niet zo buitengewoon.

 

Florimond Waeghe vertelt over een Antoniusbeeldje: ‘’t Was in ’t jaar zeven of achtte…, ’t was vreselijk slecht weere en ’t schip kwam binnengelopen… twee broers van mijn vader zaten erop… Sylvester en den anderen was Albert, geloof ik… den oudsten was nog geen 21 jaar… Het schip kwam binnen en wat dat er gebeurd is, wisten ze natuurlijk niet, maar ze peinsden dat ’t schip  terechtgekomen is nefferst ’t staketsel. In ieder geval zijn de twee broers van mijn vader en de andere mannen der in gebleven. Mijn grootmoeder, die op ’t sas woonde, aan de Scheurput da ze zeggen, wilde van de zee niets meer weten. Iedere keer dat ze buitenkwam, draaide ze haar hoofd. En ze heeft nooit nog ‘t water gezien! Maar wa da’k wilde vertellen… van dat schip is er niks of niemand weergevonden, behalve ‘t beeldje van den èligen Antonius dat de volgende dag is aangespoeld…’

Rond het kapelletje van Bredene is heel lang een miraculeus aura blijven hangen. Zo nam mijn grootmoeder me ooit mee naar daar. Te voet gingen we door de bosjes van De Haan tot in Bredene, terugkeren deden we gelukkig met de tram. De reden was dat ik een grote Katrienewiel in mijn nek had opgelopen. Dit fait-divers wordt geregeld nog in familieverband opgerakeld, wat telkens het nodige gelach uitlokt, maar bij sommigen toch nog een plekje vindt op de nauwe grens tussen geloof, bijgeloof en magie.  

Oorspronkelijk was er in Bredene helemaal geen kapel te bespeuren aan de verlaten, eenzame zandweg die achter de duinen liep, alleen een Mariabeeld in een klein houten kapelletje gespijkerd aan een boom of een paal. Dat was niet ongebruikelijk, zeker wanneer het een onveilige weg betrof, waar er bovendien ook sprake was van spokerij. Het beeld gaf vertrouwen en steun aan diegenen die er alleen, ofwel laat op de avond langs moesten.

In een geschrift uit het bisschoppelijk archief staat te lezen dat er tussen 1710 en 1715 een Onze Lieve Vrouwbeeld in een kapelletje op een staak werd geplaatst ‘met eenen blocke ofte busse’ om er wat geld in te steken. Een deel van de opbrengst van dat offerblok werd geclaimd door Pieter Hillewaere, eigenaar van de weide ernaast, omdat de grote volkstoeloop zijn weide plattrapte zodat de koeien niets meer te grazen hadden.

In het jaar 1717 werd begonnen met het bouwen van een houten capelle van O.L.Vr. aan den duyne en omdat er zo’n grote toeloop was, werd er twintig jaar later een stenen kapel gebouwd.

 

Heel wat schepen dragen de naam van Maria, Onze Lieve Vrouw, Ster der Zee, Stella Maris… Vroeger was dat zeker niet anders, maar wat wel verwondering kan oogsten, is dat ook kaperschepen haar naam op de boeg schilderden, zoals het kaperschip van kapitein Simoen Elias dat ‘Onze Lieve Vrouw van Lombardië’ heette.

Wanneer die kapersschepen van Oostende en Nieuwpoort voor Lombardsijde kwamen gevaren, begroetten ze de Onze-Lieve-Vrouw met enkele kanonschoten.

Zo staat te lezen in het boordjournaal van het jaar 1702 van kapitein Marinus Maes: ‘Wy leesden Avemaria ende schooten drij schooten, waarop het schip ‘Het Serpent’ verder op huis afstevende.       

Meer verhalen op de grens tussen geloof en bijgeloof in Vissersvrouwen

(foto Wouter Rawoens)

Sint Antonius van Padua

 

Het Kapucijnenkerkje in Oostende kent al zeer lang een verering voor Antonius van Padua, patroonheilige van de vissers. Dit kerkje werd gebouwd in 17°eeuw door de paters Kapucijnen, midden in het Oostendse visserskwartier. Wanneer de mannen op zee waren, kwamen hun vrouwen er bidden en offeren om bescherming voor hun mannen af te smeken.

‘Vroeger kwamen er ook heel wat prostituées naar de mis, waardoor dat het de messe vo d’ oertjes werd genoemd’, vertelt Willy Geryl, de koster van het kerkje.  

De zilveren ex-voto’s van armen, benen, ogen, borsten, kindjes,… tonen aan dat er van de H.Antonius heel wat werd verwacht. Zelfs nu nog raken sommigen bij het binnenkomen van de kerk het kader met de litho van de H.Antonius nog aan, zij het stiekem en vluchtig.

En ook het mooie beeld van de gekruisigde Christus, dat zich net naast de ingang bevindt, is het voorwerp van zo’n aanrakingritus. Getuige daarvan zijn de afgesleten knieën.

Omdat het toch om een zeer oud en waardevol beeld gaat, denkt de kerkfabriek er aan om het achter glas te plaatsen. Maar dat zou zonde zijn voor dat oude vrouwtje dat nog elke dag langs komt om het beeld te groeten en even zijn knieën aan te raken.

 

 

Onze-Lieve-Vrouw van de Fonteyne

 

In het Frans-Vlaamse Dunkerque werd ook een Mariabeeld gevonden. Tijdens de herstellingswerken aan de vestingen zou in 1403 een bron met gezond en zacht water zijn opgeborreld en op korte afstand daarvan werd op hetzelfde tijdstip een Mariabeeldje opgegraven. In die samenloop van omstandigheden zag de bevolking een teken dat Maria daar vereerd wilde worden. Er werd een kapel gebouwd met boven de bron een fontein en daarom werd dit Mariabeeld ‘Onze Lieve Vrouw van de fonteyne’ genoemd.  

Ze werd niet alleen door de vissers van Noord-Frankrijk vereerd, maar ook door de IJslandvaarders van de Westhoek. Jaarlijks werd er de zogenaamde ‘afvaartmis’ gelezen en na de mis trok men in stoet naar de kaaien en werd de IJslandvloot gewijd.   

Af en toe voltrok zich rond dit beeld ook een bijzonder, zeer aandoenlijk ritueel. De vissers, die een ramp hadden overleefd, stapten van zodra ze aan wal waren naar haar beeld in de kerk. Ze deden dit zonder een woord te spreken, blootshoofds en barrevoets, met een kaars in de hand, om Onze Lieve Vrouw te danken voor de redding. Pas wanneer ze een uur lang hadden gebeden, konden ze weer praten, hun verhaal vertellen aan hun familie die hun op afstand waren gevolgd, zwijgend, omdat ze wisten dat er op zee iets vreselijks was gebeurd.

In verschillende oorkonden zijn bewijzen te vinden van dit gebruik.

Zo was er de sloep ‘Bonne Mère’ van kapitein Jan Naessen die op 9 april 1893 in de IJslandse wateren door een verschrikkelijke storm was overvallen. Mast en roer waren afgerukt en verschillende manschappen overboord geslagen. Elf dagen lang dobberde de sloep rond en iedere dag werd door de overblijvende bemanning de belofte afgelegd dat ze bij behouden aankomst regelrecht en zonder een woord te spreken naar het kapelletje zouden gaan. Op de twaalfde dag kwam er een schip in zicht en redde de bemanning. En hun gedane gelofte hebben ze ingelost.

 

 

Nog meer lieve vrouwen

Volledigheidshalve moet nog worden vermeld dat ook Nieuwpoort een miraculeus beeld bezat, Onze-Lieve-Vrouw van de Nood Gods.   

En in Lissewege werden eveneens miraculeuze krachten toegeschreven aan het Mariabeeld. De vissers van Koudekerke, het oude Heist, hadden het gevonden ergens bij een waterput, temidden het riet, en daarom mochten de Heistse vissers dit beeld jaarlijks meedragen in hun ommegang. En tot op heden is dit gebruik blijven bestaan bij de zeewijding in Heist op 15 augustus.

 

Het was een mooie dag en de vissers van een Blankenbergse schute hadden al veel gevangen, maar ze zouden die dag nog iets heel bijzonders in hun netten vinden. Wanneer ze een laatste keer hun net ophaalden, lag een Mariabeeld temidden de kluts zilverig spartelende tongetjes.

Met veel omhaal voeren de vissers terug, brachten het beeld aan land en droegen het naar hun kerk in Blankenberge.

De parochiepriester was zeer in zijn nopjes en gaf het beeld een mooie plaats.  

De volgende dag echter zag hij dat het was verdwenen. Gewoon weg. Hij kreeg er kop noch staart aan, want hij had toch het portaal van de kerk op slot gedaan en als gewoonlijk de deur van de sacristie afgesloten?

Maar wonder bij wonder viste diezelfde Blankenbergse schuit opnieuw dat Mariabeeld op.

 

Dit keer brachten ze het naar de parochiekerk van Uitkerke. Nu was het de beurt aan de parochiepriester van Uitkerke om blij te zijn. Maar hetzelfde herhaalde zich. Het beeld verdween nog voor de volgende ochtend aanbrak.

Toen de vissers het nog een derde maal opvisten, haalden ze er een jonge ezel bij, deden hem een gareel aan, bonden het Mariabeeld op zijn rug en lieten hem vrij, lieten hem stappen waar hij wilde.

Het dier trok kilometers ver door de Polders en in Meetkerke bleef het stil staan, pal voor de deur van de kerk. Dat was klare taal. Het beeld werd dus in de kerk van Meetkerke geplaatst.

En daar staat het nog steeds.

 

Voor de kust van Wenduine, aan de Krommenarm, werd ooit een groot kruisbeeld opgevist. Was dit het kruis van de kerk van het oude Wenduine dat lang geleden door een vloedgolf was verwoest? Dit was toch wat die vissers ervan dachten en vol eerbied droegen ze het naar hun kerk in Blankenberge.

De volgende dag was het kruisbeeld echter spoorloos verdwenen.

Maar geen nood, enkele dagen later werd het, op dezelfde plek, opnieuw opgevist.

Het kruisbeeld gaf dus duidelijk te kennen waar het wilde opgesteld en vereerd worden… en dat was nergens anders dan in de kerk van Wenduine.

 

Op een dag ging ze ‘dienen’ naar ‘t kapelletje. Eigenlijk deed ze dit niet voor zichzelf, maar voor haar zieke buurvrouw. De buurvrouw was ondertussen wel overleden, maar belofte maakt schuld…

Haar paternoster slierde door haar hand wanneer ze naar Bredene stapte, zo hard bad ze, maar wanneer ze langs de Doornen Bilk kwam, voelde ze ineens een drukkende last op haar schouders. Het zweet begon van haar af te lopen en vermoeidheid sloeg in haar armen, benen en rug. Niemand minder dan de geest van de afgestorven buurvrouw was op haar hals komen zitten!

De last werd zwaarder met elke stap. Stilstaan om uit te blazen of uit te rusten hielp niet. Het was een echte marteling. Uitgeput kwam ze aan ’t kapelletje, waar ze ineens verlichting voelde.

Maar wat er was gebeurd, was haar eigen schuld geweest… Ze was vergeten de spreuk uit te spreken om de spoken en geesten af te weren.

‘Ga voren, ik ga volgen!’ had ze moeten zeggen wanneer ze de Doornen Bilk passeerde… dan zou ze nergens last van hebben gehad.