TUSSEN WATER EN WIND

in een zeildoek

 

Sterven op zee, een heel beladen onderwerp, wat niemand onberoerd laat. De verhalen die erover verteld worden, pakken je bij de strot, zowel de fictieve verhalen als de verhalen uit de realiteit. Enerzijds is er de angst voor de dood, en zeker de verdrinkingsdood op zee, ver weg van thuis, in de koude diepten van de groengrijze Noordzee of in de onmetelijke oceaan, maar anderzijds is er ook iets heroïsch aan sterven op zee…

 

 

Helpen verliezen

 

De visser die een zeemansgraf laat plaatsen als tatoeage, gaat er vaak prat op dat hij ooit ‘zijn boeie zal zetten op zee’, waarmee hij wil zeggen dat hij ooit, als zijn tijd gekomen is, zal sterven op zee. En dat hij daar niet bang voor is, voegt hij daar dan meestal nog aan toe. Maar wanneer die zeeman geconfronteerd wordt met de dood van iemand van de bemanning, wanneer hij iemand ‘helpen verliezen’ heeft, dan is dat toch iets wat zeer ingrijpend is en vaak jarenlang een trauma nalaat.

 

Visser Fernand Guilbert vertelt over hoe ze eens iemand van de bemanning verloren...

‘Het was woelig weer, een zee spoelde over dek en sloeg hem overboord. We riepen meteen ‘man overboord’ en probeerden dichterbij te varen. Hij had een plastic olieboai aan en omdat dat vol lucht zat, stond hij recht in het water. We riepen ‘Zwemt! Zwemt!’ Maar het vroor en hij deed niets, zo bevangen was hij. Het schip dreef naar hem toe, we konden hem grijpen, maar het stormde en het schip schommelde heftig heen en weer en hij glipte uit onze handen. We zagen hem de diepte ingaan: zijn olieboai en zijn gezicht verdwijnen. Ik kan dat nooit van mijn leven vergeten. We zijn dan binnen gevaren met de vlag halfstok.’

 

Jef Ocket (°12/10/1914) was lichtmatroos en net zeventien jaar, toen het volgende gebeurde: ‘Het was tien uur in de ochtend en zwaar weer wanneer we aan ’t winden gingen. Het net werd opgehaald, de kuil zat vol vis, maar toen kwam er een zee en de kuil ging aan ’t slingeren en zwiepte tegen een van de matrozen die met zijn hoofd tegen een nagel viel. Hij was op slag dood. We hebben hem in ’t logies gelegd en zijn meteen naar Reykjavik gevaren. We konden wel niet anders want we hadden zoveel vis aan boord… we konden hem toch moeilijk op ’t ijs tussen de vis hebben gelegd? Niemand zou die vis nog hebben willen kopen!’

‘Hij werd begraven op IJsland, want ze wilden hem niet laten overbrengen, dat was veel te duur.’

‘Of dat iets doet, zo’n mens achterlaten? ’t Is lelijk om te zeggen, maar we liepen de haven binnen en na een uur of wat zaten we al op ’t schip dat naast ons ligt te drinken met de kopage, ’t waren Duitsers. We peisden er niet meer op. Maar we waren het eigenlijk niet vergeten… want daarna moesten we weer op zee en we zouden nog 24 uur vissen, maar dat deed maar raar. Die matroos was achterman geweest en moest zogezeid de touwen lossen… maar het ging niet meer om te vissen, er was iemand te kort… de kapitein zei al snel “kom, ’t is genoeg” en tegen de stuurman: “trek mor in, we gon naar húst’ Hij heeft niet langer willen vissen.’

                                                                                        - Uit Naar Island -

Het plaatsen van een tatoeage raakte in de visserij ingeburgerd omdat een lijk dat ergens aanspoelt, gemakkelijker te identificeren valt.

 

Waarom vele zeelui een oorringetje dragen, is een gebruik dat al heel oud is. Dat het zou hebben gediend om bij een begrafenis op zee de laatste steek te marlen, is niet zo evident. Dat het hielp om de ogen scherp te houden en preventief was tegen oogziekten, is ook niet echt geloofwaardig. Wel geloofwaardig is dat het kon dienen als betaalmiddel voor de begrafeniskosten wanneer een lijk in een vreemd land aanspoelde. Wanneer men niet wist wie er was aangespoeld en er in de eerste dagen geen berichten kwamen van scheepsrampen of verdrinkingen, dan werd de begrafenis ter plekke geregeld en werd de man toevertrouwd aan de aarde op de begraafplaats van de gemeente waar hij was aangespoeld. Het gouden ringetje volstond om de kosten te dekken.

In Blankenberge droegen veel vissers in het begin van vorige eeuw een gordelriem waarbij twee zilverstukken als sluiting dienden. Ook dit was om de kosten van de begrafenis te dekken wanneer ze ergens aanspoelden of wanneer ze elders begraven moesten worden.  

 

 

De onheilstijding brengen

 

Wanneer er een ongeluk geweest is op zee en het schip komt terug van de reis met een lijk ofwel met een bemanning die niet volledig is, dan valt dat heel moeilijk om dit aan de familie te vertellen. Tegenwoordig is de familie al ingelicht nog voor het schip is binnen gevaren, maar vroeger was dit niet altijd zo en moest de bemanning van het schip het slechte nieuws brengen.

Zo gebeurde ook wel eens dat men het slechte nieuws niet durfde, of gewoon niet kón vertellen. Onderstaand verhaal is fictief, sowieso, maar sluit toch aan bij de realiteit: wanneer zoiets gebeurd was, durfde men het node te vertellen. En soms durfde niemand het vertellen. Onderstaand verhaal is fictief maar vindt zijn wortels in waar gebeurde verhalen.   

 

 

                                                                          De verdronken stuurman

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De realiteit is even huiveringwekkend als de fantasie…

 

Zo vertelt Fernand Gevaert:

‘Toen ik een jaar of zeventien was, heb ik iets vreselijks meegemaakt. We haalden voor de laatste keer ons net op die dag. Ik schrok, want in ons net, tussen de garnalen, lag een lijk. Een lijk zonder schoenen. Het eerste was ik zag was een paar grijze sokken. Dat beeld zal ik nooit vergeten. En toen zag ik wie het was. Het was Georges, mijn beste vriend. Ik begon te trillen over mijn hele lichaam. Ik kon niets doen, niets zeggen, zelfs niet huilen. Zo ontdaan was ik. Ik keek toe hoe ze het lijk op het voordek legden, het met een drietal emmers zeewater spoelden en bedekten met een zeil. Akelig was dat. Het lijk lag daar naast al die garnalen. Ik kon echt niet meer werken. Ook niet als de schipper zei dat ik verder moest werken. Ik kon het gewoon niet. Ik moest voortdurend kijken naar dat zeil en denken aan die grijze sokken. De schipper brulde dat ik moest werken en daar niet staan trunten, of hij zou het lijk tussen de garnalen leggen, dan kon ik de garnalen van tussen de benen scheppen!

Ik bleef maar beven en ik kon het echt niet, hoe hard die schipper ook riep. Uiteindelijk besefte de schipper dat ik het echt niet kon en hij nam mijn taak over. Hij zette mij toen achter het roer. Recht naar de muur varen, beval hij. De muur van Zeebrugge. Ik heb toen mijn blik gefixeerd op de havendam, het zweet stond in mijn handen. Maar we liepen netjes binnen.

Op de kade kwam de zus van mijn dode vriend naar me toegelopen. Dat was een vreselijk moment en ik durfde haar niet te vertellen dat we het lijk van haar broer hadden opgevist. Ze zag wel meteen dat er iets niet klopte en dat ik iets voor haar verborgen hield. Maar ik ben weggelopen, ik kón het haar gewoon niet vertellen.’    

 

 

Diefstal

De verhalen die rond doden op zee worden verteld, zijn voor een groot deel fantasie, maar de kern van het verhaal sluit vaak nauw aan bij de waarheid. Zo ook in onderstaand verhaal, dat geweven is rond het verbod om persoonlijke zaken te stelen van een lijk dat opgevist wordt uit zee.    

 

 

                                                               De ring en de horlogeketting

 

Wanneer een matroos aan boord stierf en de weg naar huis was nog lang, of ze vaarden ver van de bewoonde wereld, dan werd er wel eens voor gekozen om het dode lichaam, samen met de bezittingen van de overledene, overboord te laten glijden in een zeildoek. Er wordt verteld dat men bij het naaien van een matroos in zo’n zeildoek de laatste steek door de oorring trok. Het is helemaal niet zeker wat daarvan aan is, maar wel zeker is dat men een stukje gewijde kaars in de broekzak van de overleden stak vooraleer hem in zee te laten glijden. Heel belangrijk was wel om ál zijn bezittingen ook overboord te gooien. Deed men dit niet, dan vreesde men voor een schipbreuk. Had men dat toch gedaan, er er kwam toch zwaar weer aanzetten, dan ging men ervan uit dat er nog iets van de spullen van de dode aan boord moest zijn. Met man en macht werd het schip dan afgezocht, in alle hoeken en gaten, of er toch maar nergens iets achtergebleven was.

(bovenstaande foto van de ‘oeuvres de mer’ werd geënsceneerd)

begrafenis op IJsland

Tijdens een zware storm was de stuurman van een schip van boord gevallen en verdronken. Toen het schip aanmeerde op het strand, stond de zoon van de verdronken man te wachten. Niemand van de bemanning had echter de moed om de jongen te zeggen wat er gebeurd was.

De jongen bleef vragen, maar niemand die iets zei. De jongen begreep echter al snel hoe de vork in de steel zat en haastte zich naar huis om zijn moeder het slechte nieuws te brengen.

Maar later, telkens wanneer het schip weer op die plek vaarde waar de stuurman verdronken was, hoorde de bemanning hem elke keer opnieuw roepen.

Geen een durfde alleen op het dek te blijven als ze daar voorbij vaarden.

Dit gebeurde kort na de eerste wereldoorlog. Een schip viste een lijk op. Het was geen visser, eerder een rijke man, wellicht een passagier van een stoomschip dat op een mijn was gelopen, iets wat na de oorlog wel eens meer gebeurde.

Dat lijk kon nog niet lang in ’t water gelegen hebben, want het had nog al zijn kleren aan. Aan zijn gilet zat trouwens een horloge aan een zware gouden ketting en aan zijn pink droeg hij een ring met een zeer mooie steen. Maar er was verder niets waaruit ze konden opmaken wie de man was. Een trouwring droeg hij niet en er waren ook geen papieren, geen paspoort, geen geld, geen portefeuille.

De reis was nog maar pas begonnen en zou nog wel een week duren. Ze konden dat lijk dus niet zo lang aan boord houden, daarom naaiden ze het in een zeil en gooiden ze het in zee. Dat was zo de gewoonte. De ring en de horlogeketting zouden ze aan de waterschout geven.

De eerste dag werd er niet verder over gesproken, maar de tweede dag begonnen ze te gissen naar de waarde van die ring en die ketting.

De derde dag was er al een die vroeg wat ermee zou gebeuren, als ze dat afgaven. De schipper zei dat er dan een onderzoek plaatsvond om de familie te zoeken, maar als dat doodliep, dan waren de bezittingen voor hen die het lijk gevonden hadden.

‘En hoe lang duurt zo’n onderzoek gewoonlijk?’ vroeg één van de matrozen.

‘Wel, meestal tot in het jaar nul’, zei de schipper die al wat kwaad begon te worden.

‘Spijtig’, zei de matroos.

‘Ja,’ vielen zijn maten hem bij. ‘We zouden het geld dat het opbrengt, best kunnen gebruiken.’ En daarover werd steeds meer, steeds luider gefezeld. Dat geld konden ze best gebruiken… De schipper kon wel raden waar ze over bezig waren, maar zei niets.

En eindelijk spraken ze het uit. Waarom moesten ze dat goudwerk afgeven? Het ging niet best in de visserij, de opbrengst was verre van goed, de paaie dat ze thuis konden afgeven verre van voldoende… ze konden het allemaal gebruiken en nog veel vijven en zessen…

De schipper had nog wat bedenkingen, maar gaf uiteindelijk toe.

En ja, de anderen beloofden dat ze zouden zwijgen als het graf. Ze waren toch geen kinderen meer? Ze zweerden dat ze er nooit ofte te nimmer iets tegen iemand over zouden zeggen en ze maakten een kruis en spuwden op de grond om die woorden kracht bij te zetten.

Bij de thuiskomst werd het goudwerk verkocht en werd de winst verdeeld.

De week erop vaarden ze niet uit, want het was net de week voor Pasen. Ze zouden het schip eens goed schrobben en alles wat opkalefateren. En pas dan weer vertrekken.

Een van de matrozen die het dek aan het schoonmaken is, roept ineens: ‘Nondedorie… die plek gaat er niet uit!’

Dat was waar het lijk had gelegen.

Die planken hadden een donkerbruine afdruk.

‘Doe niet zo onnozel, pak een beetje bruine zeep’, zei de schipper.

Maar die matroos mocht zepen en schrobben wat hij wilde, die donkerbruine vlek, zo groot als mens, trok maar niet weg.

Dan kreeg de schipper een ander idee. Moesten ze die planken eens wat bijschaven…

Maar ook dat baatte niet. Het lichaam bleef in het dek geprent.

Niemand van de matrozen wilde nog met dat schip mee varen, en een nieuwe bemanning kon ook al niet gevonden worden. Die boot heeft maanden stilgelegen en dan hebben ze hem naar de werf gebracht om af te takelen.                                

Dodemansduimen?

Een naam die tot de verbeelding spreekt.

Het is natuurlijk geen duim van een gestorven zeeman, maar wel een koraal die in de Noordzee te vinden is op wrakken of andere harde ondergrond.Dodemansduim is zacht koraal en voelt een beetje als kraakbeen.Wanneer het koraal zijn poliepjes heeft ingetrokken, lijken de uitstulpsels sprekend op de leerachtige duim van een verdronken zeeman.