TUSSEN WATER EN WIND

een tijding uit IJsland

 

Dromen van een totaal andere aard waren de visioenen, de voorspellende dromen. Vooral wanneer er vroeger nog geen radio aan boord van de schepen was en de vissers niet naar huis konden roepen dat alles in orde was, kreeg zijn vrouw of moeder of soms wel eens een van zijn kinderen een ‘tijding’…   

 

Voorgevoelens

 

Wanneer de visser wekenlang, en vroeger zelfs maandenlang op zee was, zonder contact met thuis, dan leefde het gezin bijna voortdurend in ongerustheid. Dan werd veel belang gehecht aan voorgevoelens. De vrouwen en moeders beeldden zich wel eens zaken in. En zeker wanneer er thuis iets gebeurde wat op een ongeluk zou kunnen duiden, of ze kregen een droom, dan was het hek al snel van de dam. Ze werden bang, en met het verlopen van de tijd werden ze steeds maar banger. Voorgevoelens kon je niet zomaar negeren.

Natuurlijk kwam zo’n voorteken wel eens uit, want in die tijd waren schipbreuken en ongelukken op zee geen zeldzame zaken. Bijna elk jaar bleven er schepen op zee, en al zeker de schepen die voor zes maand naar IJsland voeren. Ook ongelukken waren legio: mannen die verdronken door een onhandig maneuver of door stormweer, mannen die stierven door uitputting en ontbering, of mannen die zelfmoord pleegden. Zo gebeurde het wel eens dat een vrouw of een moeder een visioen kreeg, of een droom waarin zij haar man of zoon zag verongelukken. Ze zag hem ‘te rampe komen’ ofwel ziek in de kajuit liggen. Zo’n droom werd natuurlijk veroorzaakt door angst en grote ongerustheid, maar het gebeurde dus wel eens dat wat ze hadden gedroomd ook echt gebeurde, of gebeurd was.   

Zoals in dit verhaal…

 

 

                                                             Op IJsland gebleven   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geen kruisje gekregen

 

Het volgende verhaal werd me verteld door oud-visser Fernand Guilbert uit Oostende:                                                                              

 ‘Ik was zeven jaar en toen ik uit school kwam, was mijn vader er niet. Vreemd, want hij zou toch thuis zijn gebleven, zo tussen twee reizen in?

Mijn moeder vertelde dat hij was opgeroepen om iemand te vervangen, “in te springen”dus. Wat nog wel eens gebeurde als er iemand van een ander schip ziek was gevallen.

Ik was heel erg verdrietig, want ik had het gebruikelijke ‘God zegent je’ en een kruisje op mijn voorhoofd niet gekregen. Ik weet nu nog goed dat ik het gevoel had dat er iets niet klopte. Ik had een heel vreemd voorgevoel. Hoewel ik dat als klein ventje niet echt benoemen kon.  

Een paar dagen later zag ik op een avond mijn vader aan ’t deurgat staan, hij had zijn olieboai aan en op zijn hoofd droeg hij een zuidwester. Hij was kletsnat, het water droop gewoon van hem af. En mijn moeder was in de keuken koffie aan het zetten voor hem.

Wat dat precies geweest was, ik weet het niet. Een droom? Een zinsbegoocheling? Heb ik mijn vader echt zien staan? Ik weet het niet.

Maar mijn vader is van die reis niet meer teruggekeerd.’   

 

 

Devotie

 

Als men geen controle heeft op de gebeurtenissen en men voelt zich overgeleverd aan het lot, het ‘noodlot’, zoekt men vaak toevlucht in het geloof. Maar ook bijgeloof en rituelen spelen daar een grote rol in. Wanneer men geen vat heeft op hetgeen gebeurt, is alles goed genoeg om wat nog moet gebeuren, te verijdelen, of wat eventueel reeds gebeurde, ongedaan te maken.  

Wanneer een vrouw bijvoorbeeld zo’n tijding had ontvangen, zou ze haar laatste cent hebben beloofd opdat haar man toch behouden zou terugkeren. Ze ging naar een visserskapel en brandde er kaarsen, kocht soms een ex-voto, gaf geld uit om jaarlijks een mis te laten opdragen of schonk een juweel voor ’t Mariabeeldje, soms zelfs het enige juweel dat ze bezat, haar trouwring.

De vrouw gingen ook vaak om raad naar de pastoor die zowel haar angst trachtte te milderen als haar aanraadde om haar gedane belofte wat af te zwakken. Want soms beloofde ze veel meer dan haar armoedige huisgezin kon betalen.     

In Veurne was er een pastoor die wel een heel speciale manier had om komaf te maken met de angst van de vrouw. Hij bond haar trouwring in haar ‘kerkboek’. Als de ring tijdens het lezen vanzelf draaide, dan zou haar man niet terugkomen. Gebeurde dat niet, dan zou hij wel terugkeren…

 

 

Pastoor Lootens

 

In Koksijde werd van pastoor Lootens gezegd dat hij heel wat tijdingen ontving. Hij werd door de vissersbevolking dan ook als een ziener beschouwd. Men zei dat hij visioenen kreeg van schepen die vergaan waren en deze tijding dan heel voorzichtig aan de familie meedeelde. De werkelijkheid was enigszins anders. Hij ging regelmatig naar Duinkerke om zich op de hoogte te houden en berichten te krijgen over het reilen en zeilen van de IJslandvloot. Bovendien was hij in zijn gemeente de enige die kranten las, waaronder ook een Noord-Franse krant. Had hij dan bijvoorbeeld een bericht over een schipbreuk gelezen, dan ging hij naar Duinkerke om zich verder te informeren. Hij had nauwe contacten in die visserijmiddens en omdat men hem zag als een geschikte bemiddelaar, werd hij op de hoogte gebracht. Zo wist hij al weken van tevoren, nog voor het nieuws officieel was bevestigd, dat er een schip was vergaan en kon hij de betrokkenen heel voorzichtig inlichten. Vaak deed hij dat door hen te zeggen dat hij een tijding of een visioen had gehad. Zo kon hij hen al wat voorbereiden en kwam de slag minder hard aan.

 

Zo wist hij bijvoorbeeld ook dat er ziekte was uitgebroken op een of ander schip.

Het verhaal gaat dat de parochianen op zekere dag de kerkklokken hoorden luiden op een wel heel vreemd uur.

Ze trokken naar de kerk waar de pastoor hen vroeg te bidden omdat er tyfus was uitgebroken aan boord van een van de galetten die op IJsland voeren.

Toen dat schip weken later in de haven was teruggekeerd, was het inderdaad juist en men vroeg zich af hoe hij dat kon weten... hij had dit gewoon al in Duinkerke vernomen. Doordat hij de bronnen verzweeg waaruit hij die inlichtingen haalde, kwam het dus zover dat de bevolking hem de gave van het zienerschap toekende.

 

Ook talrijk waren de verhalen over vreemde zaken die rond de pastoor gebeurden...

 

 

                                    De duistere kunsten van pastoor Lootens

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afscheid

 

Een probleem natuurlijk was wanneer een vrouw al een tijding kreeg vooraleer de man was vertrokken. Dan probeerde ze haar man te overreden om niet te vertrekken. Maar dat viel bij hem niet in goede aarde, want hij had al ‘getekend’ en daarbij een voorschot ontvangen, wat zijn gezin goed kon gebruiken. Niets ter wereld kon hem dan nog tegenhouden om te gaan varen bij die reder. Zijn handtekening was zijn waarborg, als was het een staaf goud. En de mannen hielden zich altijd aan hun woord. De reders en kapiteins wisten dat heel goed en rekenden ook op hen.

 

 

Al ‘getekend’

 

In de Vlaamse Volksverhalenbank staat een verhaal opgetekend waarin een pastoor de visser afraadde om naar IJsland te vertrekken. Het werd verteld in 1958 door een man uit Nieuwpoort en het betrof een oom van de vrouw van de informant.                              

Cesar Lootens werd geboren in Brugge op 22 april 1837, werd in 1870 kapelaan in Oostduinkerke en in 1888 pastoor te Koksijde. Hij genoot een ongelooflijk groot aanzien bij de bevolking. Hij was heel erg begaan met de Ijslandvissers en gaf de jonge mannen die voor het eerst naar Ijsland zeilden een houten kruisje om het onheil af te weren. Elke zondag in de mis bad hij heel speciaal een ‘Onze Vader’ en een ‘Weesgegroet’ opdat ze behouden thuis zouden komen.

Men zag hem als helderziende en hij had ook een flinke reputatie als ‘aflezer’ van allerlei ziekten en kwalen. Van heinde en ver, zelfs vanuit Frankrijk, kwam men hem opzoeken met kinderen die last hadden van de kokkemare. En ook wanneer iemand vermoedde ‘betoverd’ of ‘behekst’  te zijn, werd beroep op hem gedaan.

Zijn geheim was dat hij heel veel mensenkennis had en perfect wist hoe het vertrouwen van de mensen te winnen en te bewaren. Zo werd verteld hoe het eraan toeging als pastoor Lootens werd geraadpleegd of om raad werd gevraagd. Hij ging eerst rustig op een stoel zitten, luisterde heel aandachtig. Na het aanhoren van het verhaal ging hij in diepe meditatie. Het was steeds een goed voorteken wanneer dikke zweetdruppels van zijn gezicht rolden vooraleer hij een uitspraak deed.

Voortekens

 

Er waren ook een aantal voortekens die aangaven dat een familielid zou omkomen op zee. In Veurne was dit wanneer een rode haan op het dak kraaide. In Heist en Knokke werd het als een ongunstig voorteken gezien wanneer er in of rond het huis iets viel doordat er veel wind was, zoals bijvoorbeeld een pan die van het dak waaide. Ook het kraken van meubels kon een slecht voorteken zijn.

 

Maar dat waren zaken waar men niets aan kon doen. Dat waren zaken die zomaar gebeurden. Je kon je echter ook beschermen door een aantal taboes te respecteren.  

Met katten bijvoorbeeld moest altijd worden opgepast. Zo mocht men zeker geen kat verdrinken vooraleer te gaan vissen, want dat was om ongeluk vragen. In Knokke zei men dat men de katten niet mocht laten binnenkomen wanneer er een familielid op zee was en een kat die aan boord was geslopen en meevaarde, bracht zonder twijfel ongeluk. Een brood onderste boven leggen, was vragen om rampen voor zij die op zee waren en de messen op tafel laten draaien, mocht al zeker niet.

Het verhaal van de IJslandvaart met de zeilen werd prachtig opgeschreven door Juul Filliaert in zijn boek ‘De Laatste Vlaamsche IJslandvaarders’.

 

Ook het boek van Johan Depotter vertelt over de IJslandvaart - te koop in Navigo, het Nationaal Visserijmuseum in Oostduinkerke

 

Het verhaal van de IJslandvaart vanuit Oostende verteld door oude vissers: Naar Island!

Er was eens een vrouw die een heel vreemde droom had over haar zoon. Het is trouwens niet zo vreemd dat ze over hem droomde, want dag en nacht dacht ze aan hem en verlangde ze hem terug te zien. Was ze aan het werk, dan dacht ze aan hem. Wanneer ze aan het koken en aan het eten was, dacht ze aan hem en in de kerk bad ze voor hem.

Maar een keer op een nacht droomde ze zo sterk dat ze hem in levende lijve voor zich zag. Ze zag hem zoals hij was toen hij maanden geleden naar IJsland vertrokken was. Zijn blonde haar krulde boven zijn blauwe jumper en zijn heldere ogen schitterden als de zee op een zomerdag.

Ze zag in die droom ook hoe hij de mast inklom om de zeilen vast te knopen. Ze hoorde de zeilen wapperen, want het waaide heel hevig. En ineens hoort ze hoe hij heel luid ‘moeder!’ roept en dan hoort ze een doffe plof.

De vrouw schrok wakker, haar hart ging wild tekeer en haar keel voelde als dichtgeknepen, want ze wist heel goed wat die plof te betekenen had. Het was haar zoon die uit de mast was gevallen.

Maanden lang bleef de onrust knagen. Geen enkele nacht sliep ze nog rustig, want ze voelde dat het waar was wat ze had gedroomd.

En in september kwam een van de mannen met wie haar zoon op zee was geweest bij haar langs. Dat hij slecht nieuws had, zei hij. En hij vertelde hoe het haar zoon vergaan is. Dat hij in de mast had moeten klimmen en plots was gevallen.

En dat hij toen nog heel luid naar zijn moeder had geroepen.  

Zo kwamen de vissers die op wandel waren langs het strand, de pastoor tegen. Maar iets verder kwamen ze hem opnieuw tegen, terwijl ze in de tegenovergestelde richting waren gestapt.

 

En op een andere dag was de pastoor met een aantal vissers op stap en de mis van acht uur ging zo beginnen.

‘Meneer pastoor’, zeiden ze, ‘gij kunt nooit op tijd in de mis zijn, want het is al kwart voor acht.’

De pastoor glimlachte even, gaf iedereen een hand en stapte terug naar het dorp.

Toen de vissers vlak na het vertrek van de pastoor achterom keken, zagen ze alleen nog maar een klein zwart stipje in de verte. Die dag was hij zelfs nog ruim op tijd voor de mis.

 

En een IJslandvaarder beweerde bij hoog en bij laag dat hij ooit eens de pastoor op IJsland had gezien, terwijl hij daar nooit was geweest.

Een paar dagen voor zijn vertrek gaat hij naar de biecht, waar hij na de absolutie de raad krijgt van de pastoor om niet te vertrekken, want hij zou niet meer terugkeren.

Het probleem was nu wel dat hij al het voorschot had gekregen en hij en zijn gezin alles al hadden opgemaakt. Hij probeerde nog iemand anders te vinden die in zijn plaats wilde gaan, maar hij vond niemand.

De pastoor lichtte ook zijn vrouw in, die hem ook probeerde tegen te houden, maar de visser wilde zijn woord niet breken.

Hij vertrok dus, maar hij is nooit meer weergekeerd.