TUSSEN WATER EN WIND

Jeanne Panne

De tijd dat vrouwen beschuldigd en veroordeeld werden van hekserij en op de brandstapel terecht kwamen, gaat ver terug. Toch is het nog niet zo lang geleden dat bepaalde vrouwen werden gemeden omdat men dacht dat ze toveressen waren… ze hadden omgang met de duivel of hadden de kwade hand. Er werd over hen verteld, geroddeld, ze hadden ‘de roep’ een heks te zijn, maar roddelen over zo’n vrouw, dat kon gevaarlijk zijn… telkens je over haar praatte, zei je er best bij ‘dit is op een witte donderdag verteld…’

 

Liete Siecke en andere vrouwtjes

 

Van sommige vrouwen werd gezegd dat ze een heks waren, zonder dat daar maar iets van aanwijzing voor was. Het volstond dat ze wat eenzaam woonden, er wat grauwig en vuil uitzagen, zich wat afzijdig hielden en eventueel ergens een rare pukkel op hun gezicht hadden staan… en ze hadden ‘de roep’ een heks te zijn.

 

De 93-jarige Madeleine Legein vertelde me dat ze zo’n vrouwtje kende: ‘We hadden d’er eentje in de dunen van De Panne. We mochten daar nooit gaan spelen. Ze woonde daar in een klein huzetje…’

 

Hélène De Groote (90 jaar) uit Heist vertelt over Romme Kinne. Dat was een engeltjesmaakster, maar tegen de kinderen werd gezegd dat ze een heks was. ‘Iedereen was schuw van dat vrouwtje… iedereen was bang van haar, maar als men ze nodig had, ging men ze wel halen!’

 

De negentigjarige André, die al van kindsbeen in Zuienkerke woont, op de noordgrens, tegen Uitkerke aan, waar nu de Groenestraat is, vertelde me dat in nummer 22 een vrouwtje woonde, Liete Siecke. ‘Dat was een oud, vuil vrouwtje, altijd helemaal in ’t zwart gekleed, ook haar hoofd zat ingeduffeld in eeen soort zwarte muts. We moesten oppassen van dat vrouwmens, zeiden mijn ouders, want dat was een brokke van een èkse. En zeker nooit iets van haar aannemen. Maar ze bakte van die lekkere babbeluten… we konden dat toch niet weigeren hé?’

 

En Albert Van Hageland schrijft in zijn boek ‘De Magische Zee’ dat Marie Delanghe in het begin van de jaren 1900 in Oostende gekend was als ‘Zwarte Miette’ en dat iedereen bang was van haar. Keek ze bijvoorbeeld op de kaai naar een schip dat uit zou varen, dan weigerde de bemanning zee te kiezen, want ze zeiden dat het schip bekocheld was, behekst dus. Men gaf haar altijd een portietje vis als men ze tegenkwam, uit angst dat ze iemand betoverde. En van die vrijgevigheid maakte Miette natuurlijk gretig gebruik.        

 

 

 

De kwade hand

 

In de volksverhalenbank staan tal van zulke verhalen opgetekend…

Zo luidt het verhaal verteld door een oude landbouwer uit Zandvoorde bij Oostende.

 

                                                                                      Bont en blauw                                                                                                              

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nog in die verhalenbank staat dit verhaal over een meisje dat behekst werd:

 

                                                                             Het korset

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Lachen met oude vrouwtjes…

 

‘Er was een zekere Gusten,’ vertelt een visser uit Nieuwpoort. ‘Het was juist Dijk-kermis in Adinkerke. Er was daar een danszaal waarvoor je vijfentwintig centiemen entree moest betalen. Met dat kaartje mocht je dan heel de avond binnen. Nu had hij het kaartje van zijn kameraad gekregen en wilde daarmee binnen gaan, zonder zelf te betalen. Maar het wuvetje die de kaartjes verkocht, houdt hem tegen en zegt met een scheef mondje dat hij geen kaartje heeft gekocht. “Toch wel”, zegt Gusten en begint wat zotteklap te verkopen en te lachen met dat vrouwtje. Met haar scheef mondje en zo…

Maar tegen dat hij de danszaal binnengaat, staat ook zijn mond helemaal scheef. Hij is toen meteen naar huis gegaan en ze waren die jongen van geen kanten meer meester. Die jongen is na een paar dagen ook gestorven. Dat was van te lachen met dat mens.’  

 

 

 

Jeanne Panne

 

Maar de meest gekende heks aan de kust is wel de Nieuwpoortse Jeanne Panne, geboren als Jeanne De Deyster. Of dat in het jaar 1592 of 1593 was, valt niet meer precies te achterhalen, maar wel zeker is dat ze stierf op 16 mei 1650 op de brandstapel, beschuldigd van hekserij.

In de loop van de tijd werd ze een legende en rond haar persoon werden tal van verhalen verzonnen. Ook in de volksmond bleef ze lange tijd bestaan. Wanneer bijvoorbeeld de noodklok in het oude stadhuis werd geluid omdat er brand of overstroming of een inval was, dan riep men niet ‘de klokke luidt’, maar ‘Jeanne roept’. En nog tot in de jaren zestig van vorige eeuw werd tegen de kinderen die niet braaf waren, gezegd: ‘Pas op of Jeanne Panne komt je halen!’

In de heksenstoeten werd ze opgevoerd als carnavaleske figuur, want die stoet viel samen met carnaval. Toch is de historische realiteit rond haar figuur zoveel interessanter dan wat er achteraf van gemaakt werd. Dat wist ook de historicus Godgaf-Dieudonnée Dalle. Hij bestudeerde haar leven aan de hand van de nog bestaand teksten van de getuigenprocessen en haar vonnis en dat is menig thriller waardig…

 

 

                                                   Jeanne Panne, haar leven

 

Haar vader was één van de rijkste mannen van de stad Nieuwpoort, hij was er dismeester, een soort OCMW-voorzitter avant la lettre. Hij was een man die graag dronk, goede sier maakte en ’t schoon vrouwvolk moeilijk met rust kon laten. En over een aantal zaken had hij zo zijn mening. Dat de pastoors tovenaars waren bijvoorbeeld, ‘want ze veranderden tijdens de consecratie toch wijn in het bloed van ons Heer en de hostie in zijn lichaam?’ In een tijd van godsdienstoorlog dat men verplicht was de katholieke kerk aan te hangen, was dat krasse taal. Omwille van ‘seksdelicten’ en omdat hij openstond voor ander gedachtengoed, namelijk het protestantisme, werd hij veroordeeld tot de brandstapel, ‘levend tot den pulver’. Dat was het jaar 1603.

Jeanne Panne was toen een jaar of tien. Ze zag haar vader sterven op de brandstapel en dat is haar blijven achtervolgen. En wanneer ze maar kon, is ze hem blijven verdedigen, haar leven lang. En dat was al de aanzet, dat was al voldoende dat ze zelf verdacht werd, ze mocht dan nog een begoede bakkersvrouw uit Nieuwpoort zijn.

Ook dat ze kon lezen en schrijven, was al dubieus, voor een vrouw was dat erg ongewoon in die tijd. En dat ze in haar bakkerij kruidenkoekjes verkocht die zowel de mannelijke prestaties verbeterden als dienden tegen pijnlijke maandstonden en hartritmestoornissen, speelde in de loop van de tijd ook in haar nadeel.

Dat ze een aantal keer een uitspraak had gedaan die, toeval of niet, was uitgekomen, werd haar zeker ten kwade geduid. En dat tien van haar elf kinderen stierven, wat moest daarbij worden gedacht? Een natuurlijke dood? Was dat wel zeker?

Dat ze tot overmaat van ramp ook een vorm van epilepsie had met auditieve en visuele hallucinaties en aura en ze dus wellicht bezeten was door de duivel, zoals de mensen toen over die ziekte dachten, deed helemaal de deur dicht.

Buren getuigden dat ze de kwade hand had gehad in de bepaalde ziektes en toen ze bij het ziekbed werd geroepen om de zieke weer te ‘onttoveren’, had ze de woorden gesproken die heksen in dat geval plachten te zeggen: ‘God zegent, God betert…’         

Op haar proces werd ze ervan beschuldigd dat ze de toekomst kon voorspellen en dat ze ziekte en dood kon bewerkstelligen. Wat ze loochende. De inquisiteur deed de prikproef op die vreemde, rode vlek onder haar rechterwenkbrauw. Er kwam geen bloed, wat hem deed besluiten dat ze het stigma diabolicum had, het teken van de duivel. In zijn ogen was ze niet zomaar een heks, maar echt wel de de ‘heks der heksen’.    

Hij dwong haar te bekennen. Maar wat moest zij bekennen? Dat ze omgang had gehad met de duivel? Ze was doodsbang en ze hoopte op een mirakel, want dat ze hetzelfde lot zou ondergaan als haar vader, werd haar nu toch wel duidelijk.

Toen deed men haar de halsband om, een van de meest accurate foltermiddelen. Een lederen band met daarin een aantal rijen scherpe pinnen. Die band werd met touwen aan haken in de vier hoeken van de kamer vastgemaakt en zijzelf moest op een driepikkel naast een vuur gaan zitten. Bij elke beweging prikten de pinnen in haar hals. Even geloofde ze nog dat God haar goedgezind zou zijn en hij door een mirakel de pijn zou wegnemen. Ze riep dus ‘corage, corage, God staat mij bij!’ Maar tevergeefs.

Na zes uur gaf ze het op en toen ze haar verlosten van de halsband, bekende ze dat ‘libre ende buuten torture’ dat ze een ‘toveresse’ was en verder alles wat de rechters wilden horen. Dat ze de sabbat had gevierd met de duivel, die stonk van ‘vermuftsheydt’, dat ze met hem door de lucht had gevlogen, dat hij haar naar de zolder had gedragen,  en haar daar ‘bekend’ had met ‘sijne nature soo coudt als ijs’, kortom dat ze ‘vleselijke conversaties’ met de duivel had gehad.

Nog diezelfde dag werd ze veroordeeld ‘omme gheleyt te worden ter markt deser stede ende aldaer op een schavot publickelick gheëxecuteert te worden ende ghestranguleert aan eene staeckende mette viere tot datter dood navolcht’. Nadien zou haar lijk tot buiten de stad worden gevoerd en aan een galg worden opgehangen. De kosten van het proces vielen ten laste van de veroordeelde en haar goederen werden geconfisqueerd.  

 

 

 

Zeventien heksenexecuties in Nieuwpoort

 

Het einde van de zestiende, begin zeventiende eeuw betekende het hoogtepunt van de heksenvervolging in de Zuidelijke Nederlanden. Voor onze contreien was vooral de Westhoek betrokken. Veurne, maar ook in Nieuwpoort. Daar vonden zeventien executies plaats. Ze werden ofwel levend op de brandstapel geplaatst, ofwel nadat ze eerst ‘gewoeld’ waren, gewurgd dus. Naast Jeanne Panne en haar vader Jan de Deyster kwamen nog veertien vrouwen en één man op de brandstapel terecht.

Zout was een probaat middel tegen tovenarij, hekserij en tegen het kwaad in het algemeen. Sommige vissers hadden altijd een greepje zout in hun zak als ze op zee gingen, om zich het onheil af te weren.  

Druppels wijwater konden eveneens helpen om zich tegen heksen, de duivel en ‘het kwaad’ in het algemeen te beschermen, maar dus ook om de melk gekarnd te krijgen.

Spelden waren vaak een aanwijzing dat er hekserij mee gemoeid was. Niet alleen kon een heks iemand ziek maken door met spelden in een poppetje te prikken, maar ook kon ze kinderen ziek maken door spelden in een luier te moffelen.

Een wijze raad tegen de kwade hand was dit: komt er een oude vrouw bedelen, vraag haar dan altijd een speld vooraleer haar een aalmoes te geven. Is zij een heks, dan zal ze er geen geven, want spelden zijn ook heksenmacht.

En pas op wanneer spelden op de grond liggen, want daar is een heks voorbij gekomen. Ofwel hebben ze ze verloren, ofwel hebben ze ze moedwillig laten vallen om om je te kunnen betoveren.  

 

Om de twee jaar worden in Nieuwpoort de heksenfeesten gehouden. De volgende feesten zijn in juli 2014. Er is een stoet en een evocatie van een heksenverbranding.   

Passchynken Emmelynck, 66 jaar, beschuldigd van ziekte- en doodsbetovering van een aantal mensen, waarvan een deel genazen na belezing. Een niet onbelangrijk detail was dat zij kon lezen en schrijven. Zij werd levend verbrand op 12 november 1602.

Michelyne Verstraete, 47 jaar, betoverde mensen en dieren en gaf medewerking aan de ongelovige protestantse ‘Hollander’. Levend verbrand op 17 december 1602.  

Francine Eeckhoutte, 55 jaar. Naast de beschuldigingen van ziekte- en doodsbetoveringen, had ze een persoonlijke duivel. Regelmatig had ze de woorden ‘God zegent, God betert’, uitgesproken, waarmee ze openlijk toegaf dat ze degene die ze had betoverd, ook kon onttoveren. Levend verbrand op 17 januari 1603.

Francyncken Blockx, 75 jaar, een vissersweduwe. Hoofdaanklacht was kinderdoding en verantwoordelijk voor het mislukken van de visvangsten. Ter doodgebracht op 15 maar 1603.

Jan de Munck had zich op onnatuurlijke wijze verrijkt, was gezien met zijn duivel en duivelin en kon zich abnormaal snel verplaatsen. Levend verbrand op 20 augustus 1605, samen met de 50-jarige Mechelyne Barts die door hem werd beschuldigd als medeheks.

Mayken Zitters, 74 jaar. Had epilepsie, ook wel de ‘duivelsziekte’ genoemd, en leefde op slechte voet met de kloosterzusters die haar beschuldigden enige medezusters te hebben doodgetoverd. Levend verbrand op 3 december 1605.

Nele Coopmans, 70 jaar, werd door Francynken Blockx als medeheks aangeduid. Ze werd verwezen naar de halsband en dat leidde tot ‘bekentenissen’. Levend verbrand op 16 juni 1607. In 1610 wordt ook Pierenne Coopmans, haar zus, gewurgd en verbrand.

Cathelyne Graeve, 45 jaar. Ze kon zich naar men zei omtoveren in een kat om naar de sabbat te gaan en katten hadden bizarre reacties als ze in haar omgeving kwamen. Ze werd verbrand op 10 juli 1611.

Calle Herrewijn, 78 jaar. Ze werd beschuldigd van het doen mislukken van de visvangst en van enkele doods- en ziektebedreigingen. Verbrand op 22 maart 1627.

Jaqueleyne Puyt, 78 jaar, levend verbrand op 20 juni 1627. Ze werd aangewezen als medeheks door Calle Herrrewijn en was de dochter van de in 1603 verbrandde Francyncken Blockx.

Perinne Minne, had de ‘duivelsziekte’, werd beschuldigd van gedaanteverwisseling in een kat en van het doodtoveren van zowel kinderen als volwassenen met behulp van zilverstukjes. Zij werd levend verbrand op 13 augustus 1639. Dat dit zou gebeuren was trouwens een van de zeven grote voorspellingen die Jeanne Panne had gedaan.

Tanneke Depotter, 66 jaar en Mayken Tooris, 58 jaar. Mayken werd ervan beschuldigd 19 jaar met de duivel te hebben samengewoond, de sloepen van de vissers Vynck en Willaert te hebben doen zinken door onder de vorm van een kraai op de mast te zijn gaan zitten. Allebei verbrand op 10 februari 1652, Tanneke kreeg een ietwat ‘zachtere dood’ en werd eerst gewurgd.  Ook Jacquemyne Degrootte werd levend verbrand. De hoofdaanklacht was dat ze de moutkuipen van de brouwerij van Pieter Hans had betoverd.    

Toveresseronden

 

Er werd ook wel verteld dat de heksen samenkwamen voor hun sabbatfeesten. Die plaatsen werden toveresseronden genoemd. Ze dansten daar de hele nacht en de volgende dag waren dat ronde plekken in de bilken, de weiden, waar ’t gras veel groener stond dan elders. Hervé Stalpaert schrijft dat er in het kust- en poldergebied zo’n ronden werden waargenomen in Adinkerke, Dudzele, Klemskerke, Koolkerke, Oostkerke, Uitkerke en Meetkerke. En een mondelinge getuigenis in zijn Westvlaams sagenboek luidt zo: ‘Dat zijn ronden, zei Seventje, die men dikwijls ziet in bilken, alzo op een wijdte van drie roên, drie roên van ’t ene einde naar ’t andere, en waar toveressen ’s nachts komen dansen. Te meie stonden die ronden heel groen en ’t binnenste grauw. Maar in juni zijn de ronden grauw en ’t binnenste groen.’

 

 

Een heks herkennen?

 

Er waren ook een aantal methodes om een heks te herkennen…

Wanneer je je voet in haar voetspoor zetten en de vrouw in kwestie bleef staan en keek om, dan kon je ervan uitgaan dat ze een heks was. Als je een klavertje vier in je kerkboek stak, dan kon je ze zien zitten. Wanneer een vrouw, die drie zonen had, door haar trouwring keek, dan kon zij een heks herkennen. En wanneer een vrouw drie dagen na haar dood nog blozende wangen had, ook dan wist je dat het een heks was geweest.  

 

Er was eens een boer die ‘zijn karn niet afkreeg’, niet kon boteren dus.

Hij ging naar de pastoor om raad en die gaf volgende raad: ‘Bind een sterke wis rond de karn. Bij iedere draai krijgt de toveres die dat veroorzaakt heeft, een slag. Ze zal er bont en blauw van zijn.’

De boer deed dat. Bij iedere draai piepte en kraakte dat en dat was de toveres die een slag kreeg.

Het duurde lang, maar eindelijk ‘ging de karn af’ en had de boer toch boter.

En ’s anderendaags liep er in het dorp een wijf dat bont en blauw zag van de slagen.

 

Dat de melk behekst was, komt in meerdere verhalen voor. Zo was er in Heist een boerin die geen boter meer kon karnen nadat een vrouwtje voorbij was gekomen. Er werd haar aangeraden om zout in de vorm van een kruis over de melk te strooien. Dat deed ze en daarop lukte het weer om de melk goed te krijgen.

 

 

Dat meisje woonde in een groot huis, op de eerste of tweede verdieping, in de straat van de Drapeau Belge, de straat om naar de kaaien te gaan.

Ze werkte bij een jood.

De zoon van die jood was verliefd op dat meisje. Hij wilde haar hebben, maar zij wilde van die jongen niet weten.

Op een dag stal de jongen haar korset dat ze net had uitgedaan omdat ze het zo warm had van ’t werken en vreselijk veel zweette. En daarmee ging hij naar een heks.

Die heks werkte met een kaars op het zweet van dat meisje en stak dat korset vol met spelden en andere zaken. Toen het meisje het weer aandeed, vloog ze de muren op van de pijn.

Ze ging er natuurlijk mee naar een pastoor die meteen meekwam, met zijn wijwatervat aan zijn arm. Hij besprenkelde de dorpel voor de deur van haar huis en maakte een heleboel kruistekens, maar het hielp niet...

Op 1 juli 2012 kregen de 17 heksen die in Nieuwpoort werden verbrand eerherstel.
Burgemeester Roland Crabbé deed dat ‘met een gevoel van nederigheid en historisch schuldbesef’.