TUSSEN WATER EN WIND

framassons

Rond vrijmetselarij hangt nog steeds een mysterieus aura, maar zeker vroeger was dat het geval. Vrijmetselaars, of ook framassons genoemd, zag je nooit in de kerk en daarom werden ze verdacht van contacten met de duivel. En wanneer ze veel geld verdienden, hadden ze misschien wel hun ziel aan de duivel verpand… Sommige kapiteins die veel geld verdienden, werden ervan verdacht dat ze omgang hadden met de duivel.

 

                                                                                   Altijd de wind mee

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pact met de duivel

 

Een zekere Victor uit Oostende heeft er nog zo een gekend. ‘Er woonde een framasson op de Nieuwpoortsesteenweg’, weet een zekere Victor uit Oostende. ‘Als wij ’s morgens naar ons werk gingen, zei de man: “Jullie gaan nog maar door en ik heb ze al verdiend!”’

 

De man wist ook te vertellen dat je framasson kon worden als je op een kruispunt ging staan. Wanneer het begon te bliksemen en te regenen, verscheen er een heer. Dat was de duivel. Met bloed uit je pols moest je je handtekening zetten.

De leden van de loge hielden geheime bijeenkomsten en mensen die zich vreemd gedroegen en veel macht en geld hadden, werden er wel eens van verdacht vrijmetselaar te zijn, en dus ook met de duivel om te gaan.

                             

Het ging de framassons op alle vlak voor de wind. De schippers, de kapiteins, en zeker ook de reders die vrijmetselaar waren, hadden op alle vlak een streepje voor. De reders verdienden veel geld en de schippers en kapiteins hadden altijd geluk en vingen veel vis. Schippers en kapiteins die veel geluk hadden, werden lukkepeunen genoemd.

 

 

Lukkepeune

 

‘Lukkepeunen, ja, maar dat zijn geen framassons!’ zegt Jean Calcoen, Snoek. ‘Dat zijn lukkepeunen! Dat zijn schippers die al de chance van de wereld hebben. Pierre Steenkiste was zo-een. Ik heb nog met die schipper gevaren! Die vent mocht doen wat hij wilde. Een gelukzak hé. De andere kapiteins waren jaloers – waarom hij en wij niet? Het was puur chance, niet omdat hij wist waar de beste visgronden lagen! Hij had meer geluk dan kennesse. Meer geluk dan verstand! Zo had je ook Louis Chocola. Die was zo dom als die tasse en hij had al ’t geluk van de wereld. Louis ging gaan vissen waar niemand durfde te gaan en hij had altijd goeie vangst. Weet je wat dat je moet hebben in de visserij? Zeventig procent geluk en dertig procent kennesse. Allez… Je komt daar nu toe, midden van de zee. En de schipper ‘ja mo ja joengens, we moeten wieder e keer entwo visschen ook hé…’ We moeten beginnen vissen hé, jongens…

‘We smieten ‘t net weg, en van eerste keer vol met vis. Er zijn andere schippers die zeggen ‘we gaan ook een keer beginnen visschen hé’ Net weg… niets… nog een keer, ’t net weg, weer niets… Je moet gewoon chance hebben. D’ene schippers zijn daarom niet slimmer dan d’ andere! ’t Zijn lukkepeunen!  Simpel geluk! Dat is gelijk een teerlingsmete...’

 

Maar een weer een totaal ander verhaal hoor ik van de 93-jarige Florimond. ‘Je hebt wel heel goeie schippers,’ zegt hij. ‘En dat heeft niets met geluk te maken! Zo had je bijvoorbeeld Engel Goderis. ‘Dat was de slimste visser die ik gekend heb. Hij had zelfs geen dieptemeter, alleen een kompas en daarmee wist hij altijd waar ze zaten. Hij liet een dieplood zakken dat met vet was ingesmeerd en door aan de grond te proeven die er aanplakte, wist hij waar we zaten.’

‘Maar los daarvan, had Engel nogal wat last van superstitie bijgeloof... je mocht bij hem nooit vloeken als je een benne met vis sturtte!’

 

 

 

De geur van solfer

 

Het gaat de framasson voor de wind, maar net zolang als het duurt, want een keer dat zijn tijd gekomen is, dan komt de duivel hem halen.  

In het West-Vlaams sagenboek van Stefaan Top staan daar verschillende verhalen over te lezen.

Zo bijvoorbeeld hoe een framasson op een dag op slag doodviel en meteen zo zwart als een schoen was. De pastoor werd erbij geroepen. Op de buik van de man vond hij een boekje. Hij las het en schrok heel hevig en gooide het meteen in de kachel. Toen dat boekje vlam vatte, plofte het deksel omhoog en schoot omhoog door het plafond.

 

Over een framasson uit Nieuwpoort-bad die een contract had getekend met zijn bloed, werd verteld dat hij schreeuwde om een priester toen hij doodging, maar niemand kon het huis binnenkomen want een grote zwarte man hield er de wacht. En binnen liep het vol honden. Zij moesten zowel de framasson tegenhouden als hij naar buiten wilde lopen of de priester beletten binnen te komen.

 

Wanneer zo’n framasson stierf, wordt hij door de duivels weggehaald, werd ook nog verteld. Wanneer er toch een begrafenis kan worden geregeld, dan merkte men dat de kist enorm zwaar woog, veel te zwaar voor een lijk. En toen men de kist openmaakte, zag men dat er kasseistenen in zaten, want het lijk was weggehaald door de duivel.

En zo gebeurt ook wel eens dat de duivel iemand aan boord van het schip komt halen. Hoe die duivel op zo’n schip geraakt, is een raadsel. Niemand ziet hem komen, niemand ziet hem gaan. Maar hij is er ondertussen wel geweest. En vaak wordt nadien iemand van de bemanning vermist. Zo gebeurde met een zekere scheepskapitein.

 

                                                                                                

                                                                        De duivel aan boord

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De duivelstoren van Nieuwpoort

 

Er waren natuurlijk niet alleen de kapiteins en schippers die het op een akkoordje met de duivel gooiden. Iedereen die op een bepaald ogenblik de duivel tegenkwam, kon zijn ziel verkopen. Maar je kon de duivel ook wel eens te slim af zijn, zoals in onderstaand verhaal.  

 

 

                                                           Geen kruis op de toren

 

 

De schippers van de visbakken, de grote Oostendse schepen die op IJsland voeren, werden kapiteins genoemd.

In geen enkel beroep als de visserij is er zoveel bijgeloof. Taboes en rituelen. Wat je moet doen voor in zee te steken en wat je niet mag doen als je de korre ophaalt... De meeste zaken zijn ‘van vroeger’, maar ook nu nog wordt er belang aan gehecht.

Dat vele reders met een scheef oog werden bekeken, is niet meer dan logisch, want zij rijfden de winst binnen, de bemanning kreeg een percentage. Dat de reders veel geld verdienden, had soms ook te maken met de  manier waarop ze de rekening maakten en dat was vaak niet helemaal koosjer. Kwam er ook nog eens bij dat de vissers vaak niet konden lezen of schrijven en ze van de berekeningen die de reder maakte, geen jota begrepen. Van hun paaie, hun loon, gingen een heleboel kosten af en bovendien rekende de reder vaak in oude munteenheden als plakketten, pauwen, ponden en schellingen, wat de vissers ook al niet goed begrepen en zo gebeurde het dat ze er wel eens werden opgelegd… Daarom wordt ook nu nog zo’n moeilijk te begrijpen, ingewikkelde rekening die niet helemaal juist is, een Blankenbergsche rekeninge genoemd.    

  

De uitbetaling van de paaie werd gedaan na de verkoop van de vis. Tot op het einde van de negentiende eeuw werd de vis op straat verkocht, op ’t strand of voor de herberg van de reder. Toch zeker in Blankenberge, want daar was toen nog geen vismijn. Dit gebeurde zonder tussenkomst van handelaars en de vis lag soort bij soort, in bennen, ofwel gewoon op de straatstenen.

Er was een ‘afslager’ die eerst een hoge som instelde en dan heel vlug de afdalende getallen afriep: tien, negen, acht, zeven…

Van zodra iemand voor een portie ‘ik’, of ‘mijn’, of ‘mien’ riep, werd de koop aan die persoon toegewezen. Daar komt ook de naam ‘vismijn’ of ‘vismiene’ van. Bij het veilen werd het cijfer 30 nooit uitgesproken. De reden daarvoor was dat Judas Christus voor dertig zilverlingen had verraden. Vis werd dus nooit verkocht voor de ronde som van dertig frank.

Na de verkoop werd even gespuwd om de verkoop te bevestigen.

Toentertijd was het ook nog de gewoonte dat de reder zijn vissers betaalde in zijn eigen herberg. Dat zat ook al niet zo zuiver want de vissers gingen al een flink deel van hun loon, en al zeker hun hele drinkgeld, opdrinken in zijn café!

 

Duvetorre

Aan de Willem de Roolaan in Nieuwpoort staat de ruïne van een toren, een overblijfsel van de voormalige Sint-Laurentiuskerk. Deze kerk werd verschillende keren verwoest en op het eind van de veertiende eeuw omgebouwd tot een waterburcht. Rond 1820 werd de oude toren die als uitkijkpost fungeerde, verbouwd tot buskruitmagazijn. In 1917 werd de toren beschoten en zo bleef er bleef slechts een derde van de oorspronkelijke hoogte over.

In de volksmond wordt deze toren de Duvetorre genoemd. Dit heeft echter niets te maken met de duiven die erin nestelen, maar wel met de duivel. De toren had dan eigenlijk ook beter de duvelstoren, de duivelstoren, moeten heten. Volgens de legende hielden de heksen hier vroeger hun sabbatfeesten. Niet zo vreemd dus dat het plantsoentje zo’n tien meter verder werd opgedragen aan Jeanne Panne, een van de Nieuwpoortse heksen, en niet zomaar eentje…   

 

Op een dag vaarde zijn schip ergens op het Kanaal. De kapitein had zich die dag op zijn allerbest gekleed. De bemanning vond dat heel vreemd. Ze gingen toch niet naar een feest? Er moest gewerkt worden én vis gevangen.

Maar niemand durfde iets te zeggen, want hij keek heel stuurs en het was alsof er hem iets dwars zat.

Nog vreemder vonden ze het wanneer de kapitein ook nog vroeg aan de kok om een driegangenmenu klaar te maken. Voor twee personen. En dat er een fles dure wijn ontkurkt mocht worden.

De kok voerde uit wat hem was bevolen. Hij maakte een lekker diner klaar en bracht het naar de kajuit van de kapitein.

De kapitein zat al aan tafel en voor hem zat nog iemand. Niemand had hem aan boord zien komen, dat was dus zeer vreemd. Het was bovendien een eigenaardig heerschap. Het was een lange kerel, helemaal in ’t zwart gekleed. Hij droeg een krullende snor en puntbaardje, zijn zwarte haar glom van de brillantine. Maar het waren vooral zijn wenkbrauwen die iets angstaanjagends hadden en in zijn donkere ogen leken net gloeiende kooltjes te veuzen.

De kok haastte zich met opdienen, want hij was niets op zijn gemak. Die twee zaten elkaar daar maar strak aan te kijken en geen van de twee sprak een woord.

Maar de kok had nog maar pas de deur achter zich dichtgetrokken of hij hoorde een luide gil die door merg en been sneed.

De kok beefde op zijn benen, maar hij maakte toch de deur weer open. En hij zag dat de twee verdwenen waren. De kapitein was weg en de bezoeker ook. Het eten dampte onaangeroerd in de borden en de wijn fonkelde nog in de glazen.

En het stonk er verschrikkelijk naar zwavel.        

 

Op een avond zat een Nieuwpoortenaar wat stilletjes op het strand. Hij zat te denken hoe spijtig het was dat ze in Nieuwpoort geen kerk hadden en eigenlijk ook geen geld om er een te laten bouwen.

Opeens zag hij een in het zwart geklede man kwam op hem toestappen. Die zei dat hij de duivel was. Waarop onze man schrok. Dat hij niet moest schrikken, zei de duivel, want hij had helemaal geen kwaad in de zin. Wel integendeel.  

‘Hoezo? Wat is de bedoeling dan van uw bezoek?’ vroeg onze man.

‘Ik zal een kerk bouwen voor Nieuwpoort,’ zei de duivel, ‘maar in ruil wil ik wel iets terug… iets kostbaars…’

De man begreep meteen dat de duivel zijn ziel in ruil zou willen. Hij schudde al van neen. Daaraan wilde hij niet meewerken.

‘Ach, ’t was maar een voorstel,’ zei de duivel alsof het om een banaliteit ging en hij maakte al aanstalten om weer verder te gaan.

Dit bracht onze man aan het twijfelen. Hij bedacht hoe prachtig het zou zijn dat Nieuwpoort een kerk zou krijgen… en misschien kreeg hijzelf wel een standbeeld op het plein daarvoor want het zou toch zijn verdienste zijn dat er een kerk zou staan?

‘Wacht even…’ riep hij.

De duivel monkelde en begon te onderhandelen. Na veel vijven en zessen maakten ze een deal.

‘En je mag morgen al eens komen kijken’, zei de duivel nog toen hij weg stapte.

Onze man vroeg zich af hoe ver het dan al met de bouw zou staan, maar toen hij de volgende dag ging kijken, kon hij zijn ogen haast niet geloven. De kerk was af! Zijn kerk was af! En wat voor een kerk! En wat een prachtige toren! Alleen… stond er geen kruis op die toren.

‘Die kerk is niet klaar’, zei onze man.

‘Niet klaar, niet klaar, wat bedoel je?’ zei de duivel en hij plooide zijn armen in een weids gebaar open.

‘Die kerk is niet af, want er staat geen kruis op!’

Dat de duivel dat er niet op had gezet, was heel logisch, want duivels zijn doodsbang van elk kruis en van elk kruisbeeld, want dan verliezen ze hun macht.

‘Die kerk is niet af, dus krijg jij mijn ziel niet!’ riep onze man.

De duivel vloekte en brieste en riep alle duivels uit de hel om de kerk af te breken. Toen ze daarmee klaar waren en aan de toren gingen beginnen, kwam Onze-Lieve-Vrouw tussen en jaagde de duivels weg. En zo komt het dat dat stuk van die toren in Nieuwpoort daar nu nog staat.

 

 

Zo was er eens een kapitein die altijd voorspoedige reizen maakte. Het leek wel of het weer hem niets kon maken. Wanneer andere schepen soms dagenlang werden opgehouden door slecht weer, had zijn schip nergens last van. Wind of geen wind, mooi weer of onweer, hij zeilde altijd opnieuw op tijd de haven binnen en soms zelfs vroeger dan voorzien. En hij maakte altijd goeie vangsten; het ruim zat altijd vol met mooie vis.

De mensen begrepen er niets van, maar de kapitein die wist het wel! Hij was framasson, hij had de duivel op zijn hand.

Hoe hij het deed?

Bij tegenwind of bij naderende storm wachtte hij tot het donker werd, en wanneer hij dan wacht liep en de anderen in hun kooi lagen te slapen, haalde hij zijn geldbeugel boven en strooide een handvol munten in het water.

Niemand wist hoe het kwam, maar hij had altijd veel geld bij en bij elke tegenwind, kon hij er eens goed mee strooien. En dan denk je wellicht dat de storm dan veranderde in een gezapig regenbuitje en de wind in de goeie richting keerde? Welnee, de boot zeilde gewoon tegen de felle wind in, maar het leek alsof hij een orkaan achter zich had. Zo snel ging het vooruit en in minder dan geen tijd lag het schip in de haven.